Posts tonen met het label psychologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label psychologie. Alle posts tonen

zaterdag 1 december 2012

Recensie: “Eet Mij” – over dik zijn en afvallen zonder kleurloze recepten en loze beloftes

Eet Mij is een zoektocht naar de oorsprong van obesitas. Naar de psychologie en de genetica van dik en dun, naar de invloed van de supermarkten, de media en de grote fastfoodketens, en naar de invloed van onze eigen wil op onze buikomvang. De conclusie van het boek is dat het ouderwetse idee ‘ieder pondje gaat door het mondje’ misschien aan herziening toe is. Want, volgens de twee schrijvers, Asha ten Broeke en Ronald Veldhuizen, is het helemaal niet zo simpel.
Zij illustreren dat dit aloude idee een misvatting is treffend in het eerste hoofdstuk waarin ze zichzelf voorstellen. Asha is de drukke, bezige bij, altijd in de weer met kinderen, boodschappen, het huis, en ze let op wat ze eet. Ronald zit het liefst op de bank een film te kijken, en eet daarbij liever een hele dan een halve zak chips. Asha is dik, Ronald is dun. En zo zijn ze al hun hele leven. En waarom? Daar gaan ze in het boek Eet Mij, en de bijbehorende blog (eetmij.nu), naar op zoek.
Een hoofdstuk van het boek gaat over ‘het geheim van dunne mensen’. De vraag die Asha en Ronald proberen te beantwoorden is waarom er eigenlijk nog dunne mensen bestaan in een wereld die zo vol is van verleidingen, dat het menselijke oerbrein ze niet meer kan weerstaan. Wat is hun geheim? Volgens dit boek zou dit voornamelijk in de genen zitten. Aan de hand van tweelingstudies illustreren de schrijvers dat een groot deel van hoe een lijf met eten omgaat, voorgeprogrammeerd is. Daar kun je zelf wel wat invloed op hebben, maar helemaal in de hand heb je het nooit.
Obesitas
Ook interessant zijn de beleidsaspecten rondom dik zijn die worden beschreven. Tegenwoordig wordt een BMI van 20-25 als de ‘gezonde’ marge gezien. Maar, een dikke twintig jaar geleden was de bovenmarge nog een BMI van 30. Toen kun je dus flink zwaarder zijn zonder de stempel TE DIK op je voorhoofd geplakt te krijgen.  Door de beleidsverandering werden in één klap duizenden Nederlanders te zwaar. Maar zijn ze dat ook echt? Is zwaar zijn wel zo ongezond? Volgens de schrijvers is een andere maat hard nodig, een maat die ook rekening houdt met bewegen en andere gezondheidswaarden. Een actieve dikkerd kan daarin gezonder zijn dan een bankzittende, van nature magere lat. Een BMI van 19 (één puntje te laag) is volgens de schrijvers veel ongezonder dan een BMI van 26 (één puntje te hoog).  Daar zouden beleidsmakers ook meer aandacht aan moeten besteden.
Het boek gaat ook over stigmatisering van dikke mensen. Over dat zij per definitie minder verdienen, en een minder goed sociaal leven hebben. Over hoe Asha op straat wordt aangesproken als zij haar halfjaarlijkse kroket eet, of haar kinderen een ijsje geeft. En over hoe bij ieder nieuwsbericht over obesitas, overgewicht of gezondheid, een foto van een hoofdloze dikkerd staat, zoals op de blog wordt geïllustreerd (vandaar ook de keuze voor de hoofdloze dikkerd als plaatje).
Het boek eindigt met tips voor dikke mensen om gezonder te zijn, en eventueel af te vallen. De voornaamste: ga niet voor de quick-fix, de diëten die een kilo per week beloven. Want net als in de overheidscampagne “Maak je niet dik” gewaarschuwd werd dat je vrij ongemerkt een kilo per jaar zwaarder kunt worden, geldt eigenlijk hetzelfde voor een kilo minder. Vervang één slechte gewoonte door een goede, en je raakt zo een kilo per jaar kwijt. Daar moet je wat geduld voor hebben, maar die kilo is dan ook écht weg, en het risico op het jojo-effect is drastisch verminderd. En probeer je niet te laten leiden, hoe moeilijk dat ook is, door aanbiedingen van snacks en snoep in supermarkten – 90% van die aanbiedingen zijn voor ongezonde producten. Daarmee is Eet Mij een boek over dik zijn en afvallen zonder smakeloze recepten en loze beloftes.
Ik genoot persoonlijk ook van de uitgebreide referenties, die niet zoals in wetenschappelijke artikelen midden in de tekst staan, maar aan het einde in ieder hoofdstuk, waarbij bij elke referentie ook een korte uitleg staat. Soms mét een flinke dosis humor. Het boek is verder uitgbreid met de eerder genoemde blog waar columns van de schrijvers over dit onderwerp verzameld zijn, en links naar andere websites worden opgenomen.
Kortom: voor zin en onzin over eten – Eet mij!

Deze recensie verscheen oorspronkelijk op Sciencepalooza

dinsdag 28 februari 2012

Liefdesverdriet zit tussen de oren, maar waar?

Kenniscafé Liefdesverdriet, 23 februari 2012

Een debat over liefdesverdriet met een wetenschappelijke inslag. Zit liefdesverdriet slechts tussen de oren, of zijn er ook lichamelijk aspecten, zoals het bekende “gebroken hart”? Hierover gaan twee wetenschappers,  neurobioloog Gert ter Horst (UMCG), psychiater Peter de Jonge (UMCG), en een relatietherapeute, Jannie van den Ende, in discussie met Alex van den Berg tijdens dit Kenniscafe. De volle zaal in ForumImages bevat voornamelijk (jonge) vrouwen. Hebben mannen geen liefdesverdriet of gaan ze er gewoon anders mee om?

Eerst het begrip “liefdesverdriet” - wat is dat nou eigenlijk? De gasten hebben daar allen zo hun eigen kijk op. Neurobioloog Gert ter Horst noemt het “een verzameling van veel negatieve gevoelens”. Op dit moment is hij bezig met een groot onderzoek om uit te zoeken welke hersengebieden betrokken zijn bij gevoelens van liefdesverdriet. Op zijn oproep voor proefpersonen kwamen voornamelijk veel jonge vrouwen af, vergelijkbaar met het publiek bij dit kenniscafé. Door de oproep te veranderden van “gezocht, mensen met liefdesverdriet” in “gezocht, mensen met een verbroken relatie” bleken er ineens wél mannen zich aangesproken te voelen. Ter Horst kijkt in een MRI-scanner hoe de hersenactiviteit van de proefpersonen verandert bij het zien van plaatjes van dingen, mensen, en foto’s van hun ex-geliefde. Hierbij vergelijkt hij mensen met veel of weinig verdriet na een gebroken relatie, wat ze zelf hebben aangegeven met een vragenlijst. De resultaten van zijn onderzoek zijn helaas nog niet bekend, maar Ter Horst kan al wel zeggen dat veel proefpersonen nog duidelijk verliefd zijn op de gevreesde ex.

Geen gebroken hart of depressie
Psychiater Peter de Jonge wil het feit dat liefdesverdriet ook wel  “het gebroken-hart-syndroom” heet, de wereld uit helpen. Hij stoort zich aan (semi)-wetenschappelijk bewijs dat wel het hart wordt aangetast bij liefdesverdriet (zoals hier). Persoonlijk had De Jonge ooit hevige buikpijn tijdens een periode van liefdesverdriet, maar het was toen niet bij hem opgekomen om naar een maag-darm-leverarts te gaan. Liefdesverdriet, zegt hij, zit alleen tussen de oren. Hij ergert zich ook aan de trend om iedereen met liefdesverdriet depressief te noemen. Hij zou zeker geen antidepressiva voor te schrijven, want, zegt hij, liefdesverdriet is een adaptief proces waar je als mens aan moet wennen en wel vanaf komt.

Zowieso rammelt er wel wat aan onze definitie van depressie, die al in de jaren ‘80 opgesteld is, zegt De Jonge. Volgens deze definitie is iemand depressief al hij/zij aan 5 van 9 symptomen voldoet. De Jonge noemt de psychiatrische diagnostiek “op de rand van het faillissement”, en stelt dat er echt iets structureel moet veranderen. Mensen worden tegenwoordig veel te snel als depressief bestempeld en behandeld, met allerlei nadelige gevolgen. Dit is ook de strekking van het onderzoeksproject waar hij zich de komende jaren mee bezig gaat houden: “Depressie bestaat niet”, waarvoor hij een VICI-beurs ontving.

Het nut van liefdesverdriet
Ter Horst ondersteunt de mening van De Jonge: volgens de beide wetenschappers zijn mensen met liefdesverdriet niet depressief, maar hebben slechts depressieve klachten zoals veel willen slapen, huilen, en nergens zin in hebben. Dit is biologisch gezien ook ergens nuttig voor, zegt Ter Horst, het is een waarschuwing van het lichaam om het een tijdje rustig aan te doen (en je vooral niet gelijk in een nieuwe relatie te storten). Maar iedereen heeft een andere manier om met dit verdriet om te gaan. Algemeen wordt gezegd dat vrouwen erover willen praten met vriendinnen en mannen de kroeg in gaan met vrienden. Dit is deels waar, maar het verschil man/vrouw is niet zo zwart/wit, individueel werkt het bij iedereen anders. Bijvoorbeeld kunstenaars (ook mannen), zegt van den Ende, verwerken zulke processen veel emotioneler. Ook cultureel zijn er grote verschillen hoe men met liefdesverdriet omgaat. Ter Horst is samen met een groep studenten uit Saoudi-Arabië bezig met een onderzoek naar dit soort cultuurverschillen. Ook hiervan zijn helaas de resultaten nog niet bekend.

Er wordt wel gezegd dat liefdesverdriet “een maand per jaar relatie” duurt, of “net zo lang als de relatie zelf”, maar volgens de gasten én het publiek is dit onzin. Er is geen vaste definitie voor, en net zoals iedereen anders met verdriet omgaat, heeft iedereen ook zijn eigen tijd nodig om over het verdriet heen te komen. Hierbij spelen persoonlijke karaktereigenschappen als ego en zelfvertrouwen een grote rol.

Communicatie!
Relatietherapeute Jannie van den Ende vertelt uit haar eigen praktijk over hoe zij mensen met relatieproblemen adviseert. Zij probeert mensen te vertellen dat communicatie in een relatie het allerbelangrijkste is, wat ze demonstreert met het enigszins achterhaalde boek “Mannen komen van Mars, Vrouwen van Venus”. Ja, inderdaad, mannen en vrouwen hebben een verschillende manier van communiceren en dat kan tot problemen leiden in een relatie, maar net als bij de omgang met liefdesverdriet is dit verschil heus niet zo zwart/wit is als zij (het boek) het schetst. Dat communicatie een belangrijk punt is in een relatie is wel duidelijk, want het staat in de top-4 van problemen waarmee stellen bij de praktijk van Van den Ende aankloppen.

De laatste vraag van Alex van den Berg aan de wetenschappers is wat ze zouden doen met zeeën van tijd en veel geld voor onderzoek. Gert ter Horst is erg geïnteresseerd in liefdesverdriet bij oudere mensen. Het huidige onderzoek is gebaseerd op proefpersonen uit de studentenpopulatie, maar hoe gaan 40’ers, 50’ers en 65-plussers om met liefde en liefdesverdriet? Zeker met de huidige ouder wordende bevolking lijkt hem dit een heel interessant onderzoek. Peter de Jonge zou graag bereiken dat behandeling en diagnose (van psychiatrische problemen zoals) liefdesverdriet veel meer op individuen gericht wordt. Hij hoopt dat het onderscheid man/vrouw losgelaten kan worden, wat volgens hem een duidelijk gepasseerd station is. Van den Ende voegt als conclusie toe dat liefdesverdriet zeker ook functioneel is. Door liefdesverdriet leren we meer over onszelf, en dat kan ons de rest van ons leven (en in een volgende relatie) zeker helpen.

Liefdesverdriet zit dus echt tussen de oren, maar waar precies, daarvoor moeten we het onderzoek van Gert ter Horst nog even afwachten.

Eva Teuling
--------

maandag 16 januari 2012

Goed voornemen voor 2012: ga niet op dieet!

Als we psychologen mogen geloven is bijna onmogelijk om je aan goede voornemens te houden (zie bijvoorbeeld hier en hier). Dagelijks naar de sportschool was wel een week vol te houden, maar nu komt de klad er alweer in. Alleen maar gezond eten begint ook te vervelen en na een lange dag werken is een diepvriespizza een heel aantrekkelijke keuze. Zo gaan die extra kilo’s van 2011 er nooit af. Een crash-dieet lijkt de enige oplossing, je twijfelt nu tussen SlimFast, een detox- of komkommerdieet. Nieuw onderzoek laat zien dat je daar maar beter helemaal niet aan kunt beginnen, ook al verlies je er snel een flink aantal kilo’s mee. Want je hebt er misschien wel de rest van je leven last van.

Het is al lang duidelijk dat het moeilijk is om, na een dieet, de verloren kilo’s ook weg te houden. Dit werd altijd toegeschreven aan het feit dat mensen na het afvallen hun gezonde levensstijl niet vasthouden, een gebrek aan wilskracht dus. Onderzoekers uit Australië zijn er recentelijk achtergekomen dat er ook een biologische oorzaak is. Zij publiceerden in het New England Journal of Medicine over hun studie onder vijftig mensen met overgewicht (met een BMI tussen 27 en 40). Deze deelnemers werden 10 weken op een zeer streng dieet met maar 550 kcal per dag gezet (normale mensen eten 2000-2500 kcal per dag). Natuurlijk vielen de mensen hiervan af (gemiddeld 15 kilo), maar na een jaar intensieve begeleiding van coaches en diëtisten om ze op gewicht te houden kwam er toch weer zo’n 5 kilo aan. Het gebruikelijke verhaal dus. Dit keer doken de onderzoekers echter dieper in de biologie van dit effect.

De vraag van de onderzoekers is wat er tijdens en na het dieet gebeurde met hormonen die hongergevoel beïnvloeden. De onderzoekers keken naar de waarden van zes verschillende hormonen die eetlust en honger beïnvloeden. Van het hormoon ghreline, dat wel het honger-hormoon genoemd wordt, waren vlak na het dieet de niveaus in het bloed van de diëters hoger. Maar ook een jaar na het strenge dieet was dit nog steeds geval. Van twee hormonen, leptine en peptide YY, die juist honger onderdrukken, waren de niveaus een jaar na het dieet nog steeds lager. Ook de niveaus van andere hormonen volgden een dergelijk patroon. Deze hormoon-waarden gaven dus na een jaar nog steeds aan dat het lichaam “uitgehongerd” was. De proefpersonen rapporteerden ook dat ze continu honger hadden, al hoewel de meesten nog ruimschoots te zwaar waren. Hun lichaam was nog steeds in gevecht tegen een “voedseltekort” en werkte op spaarstand om de tekorten snel weer aan te kunnen vullen.

Onderzoekers van Columbia University in New York bestuderen al jarenlang mensen met overgewicht. Ook zij zeggen dat op gewicht blijven na een streng dieet nóg moeilijker is dan het lijkt. Hun studies laten bijvoorbeeld zien dat het dagelijkse calorieverbruik van iemand die van 150 naar 100 kilo is afgevallen is niet alleen minder is dan voor het afvallen, maar ook minder dan van iemand die ‘gewoon’ 100 kilo weegt. Hiernaast zal de ooit-dikke persoon op een wandelingetje van een uur misschien 250 kcal verbruiken, terwijl de normale 100-kilo-zware persoon er 300 verbruikt. Iemand die dus ooit zwaar is geweest, moet minder eten én meer bewegen dan iemand anders van hetzelfde gewicht. Dit komt onder andere doordat ook de samenstelling van de spieren verandert na een dieet, waardoor ze efficiënter worden. Minder energie voor dezelfde bewegingen dus. Dit is fijn voor de mensen die het soms een tijdje met weinig eten moeten stellen, maar als je nog steeds 20 kilo te zwaar bent heb je niets aan efficiënte spieren. Ook de hersenen reageren na een dieet anders op voedsel - ook een reactie die leidt tot meer eten. Niet eerlijk, zal de diëter denken, maar wel de harde werkelijkheid.

Of zulke effecten ook optreden na “gewoon” afvallen door meer bewegen en gezonder eten, dus zonder crash-, honger-, of ander raar dieet, vertelt de wetenschap nog niet. Zouden diëten als het mediterrane dieet beter werken omdat die uitgaan van een gezonde levensstijl in plaats van snel kilo’s verliezen? Of gebeurt hier precies hetzelfde? Het onderzoek van de Australische onderzoekers heeft al veel effect gehad in deze wetenschappelijke discipline, maar het is nog maar de vraag of mensen die willen afvallen wetenschappers wél geloven en reclames voor crahs-diëten niet. Hopelijk kan dit onderzoek een eind betekenen aan dure crash-diëten die slechts op de korte termijn resultaat boeken.  

Maar als je toch goede voornemens had: geef de hoop niet op en ga wél gezonder eten en meer bewegen. Dit is áltijd goed, zelfs als die kilo’s eraan blijven. Ook dat is wetenschappelijk bewezen.


Dit artikel verscheen op Volkskrant Opinie voor Sciencepalooza

maandag 9 januari 2012

Fop je mentale boekhouder (recensie)

Recensie: Psycholo-geld
DOOR: EVA TEULING - NRT-RECENSIETEAM


De wetenschap achter onze irrationele omgang met geld, en tips om het te voorkomen.



In een tijd waarin banken omvallen, we de broekriem moeten aanhalen en er alarmerende berichten over pensioenen in de kranten verschijnen, komt een handboek over hoe je vooral níet met geld moet omgaan wel van pas. Dat dachten Anna Dijkman en Chris Zadeh waarschijnlijk ook, toen ze het boek Psychologo-geld schreven, met “9 psychologische valkuilen en 30 manieren om ze te vermijden”.



Het handzame boekje bevat psychologische inzichten in hoe mensen verkeerd met geld omgaan en waarom ze dat zo doen. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal tips hoe je zelf deze valkuilen kunt voorkomen. Overzichtelijk en duidelijk. Het boek is goed geschreven en leest makkelijk weg, maar soms komen de tips een beetje belerend over.


De schrijvers gebruiken veel oud en nieuw psychologisch onderzoek om onze relatie met geld uit te leggen. Een klassiek voorbeeld is een onderzoek naar `inattentional blindness`, waarbij proefpersonen een filmpje bekijken van mensen die ballen overgooien. De proefpersonen moesten tellen hoe vaak de ballen worden overgegooid, maar missen daarbij massaal een grote gorilla die door het beeld loopt. De schrijvers van het boek gebruiken dit verschijnsel om uit te leggen hoe in 2008 de Amerikaanse huizenmarkt kon instorten: mensen richtten zich massaal op de stijgende huizenprijzen (de ballen) en zagen niet dat zo´n systeem onmogelijk kon blijven bestaan (de gorilla).


Miljoenen voor gebakken lucht
Het boek staat ook vol met manieren om jezelf veel geld te besparen die wetenschappelijk of met voorbeelden uit de geschiedenis onderbouwd worden. Zoals: geloof nooit een expert omdat hij nou eenmaal expert is (denk aan Bernard Madoff of een hypotheekadviseur). Dat je niet altijd de massa moet volgen wordt geïllustreerd met een prachtig voorbeeld van een bedrijf dat F/Rite Air verkocht - inderdaad, gebakken lucht - als 1-april-grap en daar 20 miljoen mee ophaalde. De tips van de schrijvers: benader financiële kwesties met een gezonde dosis wantrouwen. Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, is het dat vaak ook.


De spaarzame tekeningetjes voegen meestal niet veel toe, behalve als verduidelijking van de torenhoge schulden van Bernard Madoff: 57 miljard dollar. Dit bedrag is genoeg voor een Ipad2 voor alle inwoners van Nederland, plus 10 jaar schoon drinkwater voor 884 miljoen mensen, plus een rondvaart door Amsterdam voor alle 127 miljoen Japanners, plus een ijsje voor de hele wereldbevolking, plus een vakantie van 2000 euro voor alle huishoudens in Nederland, plus een weekje slapen in het Amstel Hotel voor alle inwoners van Amsterdam. En dat alles doordat mensen hem blindelings vertrouwden omdat hij nou eenmaal een goede naam had.


De hoofdstukken worden afgewisseld met interviews met rijke BN’ers over hun omgang, successen, blunders en lessen met geld. Voor mij voegen deze niet veel toe, omdat ik het merendeel niet ken (maar misschien kijk ik te weinig TV).Een ander minpuntje vond ik dat dat de referenties per hoofdstuk in een alfabetische lijst staan en niet in de tekst worden aangegeven. Nu moet je hard zoeken als je meer wilt weten over een bepaald onderzoek, terwijl het boek echt wel op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd.


Starbucks-pensioen
Het boek staat gelukkig ook vol met voorbeelden en tips die dicht bij de dagelijkse werkelijkheid staan. Er wordt uitgelegd waarom meer studenten geld lenen dan zo’n 10 jaar geleden (omdat nou eenmaal iedereen dat doet). En hoe het komt dat je met een pinpas of creditcard meer uitgeeft dan met cash geld. En waarom mensen massaal niet van zorgverzekering veranderd zijn na 2006. En waarom het verschil tussen 10 en 15 euro véél groter lijkt dan het verschil tussen 120 en 125 euro. En dat je maar eens de rente op je langlopende spaarrekening moet nakijken, omdat banken rente vaak in kleine stapjes wat lager maken. En dat je vooral niet dagelijks een Cafe Latte bij de Starbucks moet kopen (dat kan je in 30 jaar bijna een half miljoen euro opleveren).


Door de tips over hoe je jezelf kunt behoeden voor je natuurlijk uitgeefgedrag, dus hoe je je mentale boekhouder voor de gek kunt houden, kun je écht geld besparen met dit boek. Kortom, een nuttig en goed leesbaar boek voor iedereen die aan het eind van zijn salaris vaak een stukje maand overhoudt. En ik ga eens kijken hoeveel rente ik nog krijg op de spaarrekening die mijn ouders ooit voor me geopend hebben. 


TitelPsychologeld - Waarom we stoppen met denken als we beginnen met uitgeven
Auteur: Anna Dijkman & Chris Zadeh
Uitgever: Maven Publishing, 2011
Paperback, 176 pagina's, EUR 15,00
ISBN: 9789490574260



Deze recensie verscheen op wetenschap24 voor het Noorderlicht Recensie Team

woensdag 27 juli 2011

De geboren onderzoeker

Vandaag was de 7-jarige dochter van mijn baas in het lab. Niet omdat ze geen oppas had kunnen vinden tijdens de lange basisschoolvakanties, nee, omdat het meisje en haar vriendinnetje dat wilden. Ze hadden legio mogelijkheden aangeboden gekregen op deze vakantiedag: naar de film, spelletjes spelen, naar het park... maar ze wilden per sé het lab bezoeken. Het protocol “DNA isoleren uit een banaan”, laatst ook op een wetenschapsfestival uitgedeeld, bracht uitkomst. Een paar uur later kwamen twee hele blije gezichtjes het lab uit met een banananschil en een buis gevuld met bananen-DNA-snotjes. Wilde de meisjes dit doen omdat mamma wetenschapper is? Of schuilt er een onderzoeker in ons allemaal?

Volgens een recente studie gepubliceerd in het tijdschrift Cognition is dit laatste het geval. Zonder dat we het doorhebben zijn we in ons dagelijks leven continue bezig met wetenschappelijke experimentjes. Neem bijvoorbeeld een gesloten deur met een slot waar een sleutel op meerdere manieren inpast. Een volwassene die twee sleutels krijgt aangereikt, zal snappen dat je eerst één sleutel op verschillende manieren moet proberen en dan de volgende, om alle mogelijkheden structureel langs te gaan. Onbewust doen we hiermee een experiment: we testen individuele variabelen en sluiten mogelijkheden uit. En uiteindelijk zal de deur opengaan.

Een aantal Amerikaanse onderzoekers wilden weten of zulke wetenschappelijke “basiskennis” aangeleerd is of ook al bij kleine kinderen bestaat. Ze testten dit met kinderen van 4-5 jaar oud, met behulp van een speciaal voor dit experiment ontworpen speeltje. Dat was een doosje waar geluid en lichtjes uitkomen als een kraal op het doosje werd gelegd, erg aantrekkelijk voor een 4-jarige. Het speelgoed werd door de onderzoekers aan de kinderen gedemonstreerd, waarbij in de helft van de gevallen alle kralen werkten om het doosje te activeren, en in de andere helft maar twee van de vier. In een ander experiment werden de kralen in setjes van twee aan de kinderen gegeven: één paar waarbij de kralen losgetrokken konden worden, en een paar waarbij de kralen echt vastzaten. Ook deze kralenparen konden het doosje activeren, als ze horizontaal neergelegd werden. Na de demonstraties mochten de kinderen vrij spelen.

Net als het voorbeeld met de sleutels testten de kinderen de verschillende mogelijkheden, maar dit gebeurde voornamelijk bij de kinderen waaraan uitgelegd was dat maar een deel van de kralen werkte. Degene die hadden gezien dat álle kralen werkten vonden dat blijkbaar niet zo nodig. Maar de kinderen deden ook iets wat de onderzoekers niet verwachtten: ze duwden de kralen die aan elkaar vastzaten verticaal op het doosje, om te kijken of dit het ook zou activeren (zie plaatje). Dit was niet door de onderzoekers gedemonstreerd en kwam dus geheel vanuit de kinderen zelf.

De onderzoekers zien dit gedrag als een “fundamentele voorganger” van wetenschappelijk onderzoek. Bij een experiment in het laboratorium doen onderzoekers inderdaad precies hetzelfde: ze testen verschillende mogelijkheden (maar niet als bekend is dat alle mogelijkheden werken) en door niet-beschreven technieken te gebruiken kom je tot nieuwe inzichten. De onderzoekers hopen dat hun studie zal aanslaan bij onderwijs-makers, zodat kinderen al jong geleerd kan worden om onderzoek te doen. Hopelijk kunnen we zo in de toekomst nóg betere wetenschap bedrijven. 

Lees meer over dit artikel op de website van Nature News

woensdag 20 oktober 2010

Het Mozart-effect

Het wordt vaak gezegd: de muziek van Mozart maakt je slimmer. Dit is een (niet-helemaal correcte) popularisatie van een principe dat ooit is onderzocht en bekend is geworden als het “Mozart-effect”. Echt slimmer wordt je niet van de muziek van Mozart, maar het is wel meermalen beschreven en onderzocht dat mensen bepaalde taken beter kunnen uitvoeren nadat ze naar muziek van Mozart hebben geluisterd. Dit zou kunnen komen omdat deze muziek je geconcentreerder en ontspannender maakt.


De medewerkers van ScienceLinx, van de Rijksuniversiteit Groningen, wilden onderzoeken wat voor effect de muziek van Mozart nou echt heeft op hersenactiviteit. Hiervoor werd niet zomaar een cd met muziek aangezet, maar werd samengewerkt met het Noord-Nederlands Orkest. In het kader van Oktober Kennismaand, was op zondag 17 oktober in een universiteitsgebouw een wetenschappelijk experiment gecombineerd met live kamermuziek bij te wonen. Als Mozart-liefhebber en hersenonderzoeker moest ik hier natuurlijk bij zijn!

Voor het experiment werden 2 toeschouwers, een man en een vrouw van vergelijkbare leeftijd, als proefpersonen aangewezen. Zij kregen een hoofdband met electrodes op, waarmee hersengolven gemeten werden. Na het kalibreren van de meetinstrumenten zette het kamerorkest bestaande uit een klarinettist, een cellist, een alt-violist en twee violisten, een klarinetquintet van Mozart in. Mooie klanken vulden al snel de ruimte in de Bernouilliborg, een universiteitsgebouw waar normaal wiskunde-colleges worden gegeven. De twee proefpersonen moesten zo geconcentreerd mogelijk luisteren, en de andere toeschouwers konden live hun hersenactiveit zien.

Het was duidelijk te zien dat de muziek vergelijkbare effecten had op beide deelnemers: plostelinge harde klanken werden onmiddellijk gevolgd door hogere hersenactiviteit. Verstoringen van buitenaf (een tv die ineens geluid maakte, een huilend kind) leidden ook tot heftige verhogingen van de hersenactiviteit. Maar toch was er weinig verschil tussen het rustige tweede deel en het actievere derde en vierde deel van het klarinetquintet. Ook leek het dat het concentreren gedurende het concert makkelijker werd voor de proefpersonen: de activiteit werd gemiddeld lager en ze waren minder snel afgeleid.  Er waren echter ook individuele verschillen: zo had soms, zonder duidelijke aanleiding, de vrouwelijke proefpersoon een hogere hersenactiviteit.

Na de pauze namen de strijkinstrumenten afscheid en speelde de klarinettist alleen een stuk van de moderne Italiaanse componist Luciano Berio – die vooral atonale muziek heeft geschreven. Heel anders dan de harmonieuze klanken van Mozart – voor mij was het in ieder geval minder makkelijk om naar te luisteren. Toch leek het de proefpersonen redelijk goed af te gaan, en bleef hun hersenactiviteit behoorlijk beperkt. Na afloop sprak ik de vrouwelijke proefpersoon, die naar eigen zeggen erg sterk op omgevingsgeluiden reageert omdat ze docent is, en daardoor alles moet opmerken. Ten tweede speelt ze zelf cello waardoor ze iedere fout en/of vals nootje in de muziek opmerkt. Inderdaad was tijdens het Mozart-stuk duidelijk te zien dat zij vaker sterke pieken vertoonde dan de andere proefpersoon.

Het lijkt er vanuit mijn observerende positie op dat concentratie voornamelijk persoons- en omgevingsafhankelijk is. Een groot verschil tussen de verschillende muziekstukken kon ik als toeschouwer niet opmaken uit de hersengolven. Maar de medewerkers van ScienceLinx gaan de gegevens nu analyseren en hopen binnen enkele dagen de resultaten te publiceren. Misschien zijn er dan wel duidelijkere verschillen te zien… In ieder geval een leuk experiment voor de zondagmiddag, waar duidelijk werd dat je wetenschap prima kunt combineren met klassieke muziek!

 
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op wetenschapsblog Sciencepalooza

woensdag 15 september 2010

Dans! En ik vertel u hoe gezond u bent…

Bij veel diersoorten, zoals bepaalde vogels, is een “dans” onderdeel van het paringsritueel. Mannetjes proberen vrouwtjes te imponeren met hun dans; vrouwtjes op hun beurt kunnen aan de dans van het mannetje veel aflezen over zijn gezondheid, kortom, of het wel een geschikte partner is. Wie zich wel eens in de vroege uurtjes in een uitgaansgelegendheid bevindt zal het niet ontgaan dat ook mensen met dansbewegingen proberen indruk te maken op het andere geslacht. Maar heeft dansen dan ook invloed op de partnerkeuze bij mensen? Dat lijkt moeilijk te bepalen omdat ook uiterlijk een belangrijke rol speelt, en dat moeilijk los is te zien van een dansend persoon. Door computer-trucjes kunnen onderzoekers nu deze twee aspecten loskoppelen.

Dansende avatars
Om dansbewegingen beter in kaart te brengen lieten Britse en Duitse onderzoekers van Northumbria University (UK) mannen dansen voor 12 camera’s (zie hier voor het onderzoek in Biology Letters). Vervolgens maakten ze een “avatar” van de dansbewegingen, waarbij de bewegingen goed te zien waren, maar niet het uiterlijk van de proefpersoon. Bekijk ook de filmpjes van de avatars: goede dansers versus slechte dansers. Hierna lieten ze vrouwen de verschillende filmpjes beoordelen. Alhoewel alle dansende mannen amateurs waren, bleek er een groot verschil te zijn in de beoordeling van de dansvormen. Figuren die veel met hun romp, nek en hoofd bewogen, haalden hogere scores dan de avatars die alleen met hun armen en benen bewogen. De onderzoekers suggereren dat het maken van complexe bewegingen een teken is van goede conditie en gezondheid. Daardoor zouden vrouwen deze dansbewegingen als “beter” aanmerken en de bijbehorende mannen ook aantrekkelijker vinden.

Symmetrie
De rol van dansen bij partnerkeuze is al vaker onderzocht. Zo verscheen er in 2005 een artikel in Nature waarbij Amerikaanse onderzoekers mannen en vrouwen uit Jamaica lieten dansen voor een camera en van hun bewegingen ook een animatie maakten (zie hier). Mannelijke en vrouwelijke proefpersonen moesten vervolgens de danskwaliteiten beoordelen. Van de dansende proefpersonen was al eerder bepaald hoe ‘symmetrisch’ zij waren. Het bleek dat er een sterk verband was tussen iemands (eerder bepaalde) symmetrie en zijn danskwaliteiten. Bij veel diersoorten is symmetrie gekoppeld aan een gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur (zie bijvoorbeeld hier). Symmetrie, vooral van het gezicht, is daardoor een heel belangrijk selectiecriterium bij de partnerkeuze.

Kort door de bocht gezegd: hoe gezonder een man is, hoe symmetrischer hij is en hoe beter hij kan dansen. Zo simpel ligt het natuurlijk niet, maar misschien is het vinden van de geschikte partner in een discotheek toch helemaal niet zo’n slecht idee. Wat danslessen hieraan bij kunnen dragen is nog niet onderzocht. 

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op wetenschapsblog Sciencepalooza

zondag 1 augustus 2010

The party brain

Unfortunately never published, but written as a report of a lecture-that-never-happened at the JUMP-the-FENS-party, Monday 5th of July, 2AM (or actually Tuesday 6th), Melkweg, Amsterdam
Peter Hagoort, Donders Institute for Brain, Cognition and Behavior

After dancing, watching movies and more dancing on the tunes of bancs like The Coronas, C-mon & Kypski, and the Wicked Jazz Club Band; at 2AM on this early Tuesday morning in July, the Melkweg was still packed with neuroscientists. Finally it was time for the “surprise act”… which was… a lecture? Seriously? What could Peter Hagoort, professor in Neurolinguistics, entertain us with at this hour considering the alcohol-consumption and subsequent diminished brainfunction of the audience?

Unfortunately due to technical problems the lecture was cancelled, but Peter Hagoort was so nice to send me his lecture anyway: THE PARTY BRAIN! Ok, that’s a good title for a lecture for this occasion… Do we really have a party brain? It was actually a special name that Hagoort had chosen for the occasion for the “social brain” as it is called in literature. Being a molecular biologist, I needed some background reading to understand the lecture, but here’s a summary:

During evolution, brain size has increased dramatically in size, especially the cortical regions. This has made us able to develop skills and behavior that are needed for the complex social situations that we find ourselves in every day, and for the development of brain function that is needed for language development and processing. Many knowledge about brain area’s that are important for language comprehension and behavior in complex social situations comes from imaging techniques as Electro-Encephalograpy (EEG), and more recently,  functional Magnetic Resoncance imaging (fMRI).

Hagoort has been using both techniques to study the activity of groups of neurons in reaction to processing of language - the first topic of his presentation. In one study, he used short sentences with correct and non-correct statement to see if our brain reacts differently to false or true statements. For example, it is very well known among Dutch people, that our trains are yellow and very crowded, so the brain reacts calmly on hearing this sentence. However, when the sentence is changed into “Dutch trains are white and very crowded”, he showed that the brain reacts much stronger on this sentence, especially during the word “white”. This condition is called “world knowledge violation”, because participants KNOW it is wrong. Another condition, called “semantic violation” applies to a sentence as “Dutch trains are sour and very crowded” – “sour” is a feature that is normally related to taste and food, and not to trains. Also this sentence causes a larger brain response. By fMRI-studies, Hagoort could localizae the area where these “violations” are processed, which happens in the same brain region for both conditions (the left interior prefrontal cortex, close to Broca’s area 45 and 47) (see Hagoort et al, Science 2004).

In addition, he showed other experiments of his group, where semantically correct sentences are spoken by different speakers. Social knowledge would cause the study participants to react differently on the sentence “I think I am pregnant” spoken by a female voice than spoken by a male voice. This also accounts for “I have a large tattoo on my back” spoken in an upper- or lower-class accent. It was known that processing of information with inconsistencies happens in the Left Inferior Frontal Gyrus (LIFG), and it was exactly this region that was extra activated during processing of the sentences with “world-knowledge violations” (see Tesink et al, JCN 2009).

Following, he showed data on studies about speaker meaning and intention, mirror neurons, and how our behavior is influenced by social situations. Did you know that you would evaluate the attractiveness of a face of a woman differently after you know what the “average person” thinks about it? Hagoort demonstrated that by an experiment where males had to judge the attractiveness of 222 female faces, followed by a confrontation of what is actually the social norm. 30 minutes later, the judgment shifted towards what was thought to be the “social norm”. This is caused by a brain region that is under dopamine control (Ridderinkhof et al, Science 2004).

Last, but not least, Hagoort switched to a very current topic at that moment: SOCCER! The next day, the Dutch team was about to play the half-finals against Uruguay. Mentioning soccer would surely have activated the brains of the audience that were almost sent to sleep… He touched upon a study published in 2009, where Dutch soccer-fans were asked to watch penalty’s taken during a hypothetical match between the Dutch and German national teams. The fragments were recorded with a computer game, involving players that were really playing during the 2006 World Soccer Championships. Following, the brain activity of the soccer fans was recorded by fMRI in 4 different situations: goal or miss by the Dutch team (friend), and goal or miss by the German team (foe). This study showed that a region in the Medial Frontal Cortex (MFC), the ventral Anterior Cingulate Cortex (vACC), responded highly when a missed goal was observed, regardless of whether it was made by the friend or the foe. So this brain area is insensitive to social context: an error is an error! Another brain area, however (the middle Anterior Cingulate Cortex - mACC), does respond more strongly to an error (miss) by a friend than a foe. However, these responses are not the same in any person, but related to the ability of the individual to empathize with others, and their own level of personal distress. So I guess Hagoort wanted us to observe our colleagues the next day during the match, and do a little psychology on them (Newman-Norlund et al, SCAN 2009)

So in conclusion, Hagoort aimed to show that our brain is equipped for complex social situations like a party, and that during the night you probably have experienced all the brain activity he described. Most likely, you have been confronted with sentences with either world or semantic violations (misunderstanding because of the loud music, friends making fun of you). Possibly, you were trying to confirm to the social norm by dressing and behaving normally although you might have wanted to do different. And, most likely, especially if your national team was still playing in World Cup, you would have been discussing soccer and thinking about how the important upcoming matches!

Again, it was a pity that the lecture could not take place, but as the organizers of the Jump-the-FENS wanted to demonstrate, even neuroscience is suitable for a party. Hagoort’s last message was that some brains are better equipped for complex social situations than other, so possibly the brains that were not would not have made it to the lecture… For those that were there: I hope you all slept well, enjoyed the party and still got something out of the conference the next day.

woensdag 16 juni 2010

De biologische onmogelijkheid van internet-daten

De moderne single lijkt het makkelijk te hebben door datingsites met aanbod van ieder gewenst geslacht, uit elke regio in Nederland, gerangschikt op opleidings-niveau, toegespitst op bepaalde hobby's… Waar je ook naar op zoek bent, als je verschillende sites bekijkt zijn er genoeg mensen die aan je checklist voldoen.Maar waar kiezen we onze partner eigenlijk op uit?

Partnerkeuze
Eigenlijk zijn mensen gewoon dieren en selecteren we partners op veel minder rationele basis dan we zelf geloven. We gaan onbewust af op onzichtbare kenmerken die zeker niet op dating-sites te vinden zien. Dit geldt vooral voor vrouwen – zij brengen een veel groter offer dan mannen als het gaat om het krijgen (en grootbrengen) van nakomelingen en moeten dus veel selectiever zijn bij de keuze voor de juiste partner. Naast bepaalde uiterlijk kenmerken die wetenschappelijk uitgebreid onderzocht zijn, spelen er nog andere onzichtbare (genetische) factoren een rol (zie voor een overzicht van de biologie van sex het thema van Kennislink, ook hier en hier).

Feromonen
Belangrijk is dat de andere persoon de juiste feromonen heeft – een soort onruikbare geur die de “klik” tussen twee mensen kan veroorzaken. De oorsprong hiervan is onderzocht in een beroemd geworden “sweaty-t-shirt study” waarbij vrouwen moesten ruiken aan T-shirts die gedragen waren door verschillende mannen . Het verschil in deze geur tussen personen wordt voornamelijk veroorzaakt door verschillen in genen die coderen voor onderdelen van het MHC-complex, eiwitten die betrokken zijn bij het immuunsysteem. Vrouwen bleken meer aangetrokken te zijn tot personen met andere MHC-genen. De biologische achtergrond hiervan is dat wanneer twee mensen met een genetisch verschillend immuunsysteem nakomelingen krijgen, deze een betere afweer hebben tegen virussen en andere ziekteverwekkers en daardoor een hogere overlevingskans hebben.

Cyclus
Daarnaast zijn keuzes voor de juiste partner ook nog afhankelijk van het moment in de cyclus van de vrouw. Het blijkt uit onderzoek dat vrouwen in hun vruchtbare periode de voorkeur geven aan mannen met de “goede genen” die ervoor zorgen dat hun nakomelingen ook succesvol zullen zijn op de partner-markt. Echter, in de niet-vruchtbare periode zijn vrouwen eerder op zoek naar de zorgzame man die voor de nakomelingen kan zorgen (zie hier) Een mooie man om zwanger van te worden en een watje die ervoor zorgt eigenlijk. Maar bij vrouwen die aan de pil zijn is dit weer helemaal anders… Geen enkele datingsite waar je als vrouw je cyclus kunt aangeven…

Gen-dating?
Er zijn een aantal dating-sites die zeggen te matchen op genetische achtergrond, zoals www.scientificmatch.com en www.genepartner.com. Deze websites vragen bij inschrijving een wangslijmvliesmonster, isoleren hier DNA uit en zeggen je daarmee op basis van je MHC-genotype te matchen aan de juiste persoon. Toch vraag ik me af hoe effectief deze sites zijn – er is nog geen wetenschappelijk bewijs dat feromonen zich kunnen verplaatsen via ADSL…

Toch maar achter de computer vandaan en in real-life mensen ontmoeten (en de feromonen waarnemen) lijkt nog steeds de beste oplossing om de juiste persoon tegen het lijf te lopen – lang leve de kroegtijger! Maar voor de muurbloempjes onder ons kan internet-daten je kans op het ontmoeten van veel mensen vergroten, waarbij ook de kans dat je de juiste persoon treft groter wordt. Speed-daten lijkt de beste tussenoplossing – die korte ontmoetingen zouden genoeg moeten zijn voor het waarnemen van feromonen…

Dit bericht verscheen oorspronkelijk op wetenschapsblog Sciencepalooza