Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

zaterdag 1 december 2012

Recensie: “Eet Mij” – over dik zijn en afvallen zonder kleurloze recepten en loze beloftes

Eet Mij is een zoektocht naar de oorsprong van obesitas. Naar de psychologie en de genetica van dik en dun, naar de invloed van de supermarkten, de media en de grote fastfoodketens, en naar de invloed van onze eigen wil op onze buikomvang. De conclusie van het boek is dat het ouderwetse idee ‘ieder pondje gaat door het mondje’ misschien aan herziening toe is. Want, volgens de twee schrijvers, Asha ten Broeke en Ronald Veldhuizen, is het helemaal niet zo simpel.
Zij illustreren dat dit aloude idee een misvatting is treffend in het eerste hoofdstuk waarin ze zichzelf voorstellen. Asha is de drukke, bezige bij, altijd in de weer met kinderen, boodschappen, het huis, en ze let op wat ze eet. Ronald zit het liefst op de bank een film te kijken, en eet daarbij liever een hele dan een halve zak chips. Asha is dik, Ronald is dun. En zo zijn ze al hun hele leven. En waarom? Daar gaan ze in het boek Eet Mij, en de bijbehorende blog (eetmij.nu), naar op zoek.
Een hoofdstuk van het boek gaat over ‘het geheim van dunne mensen’. De vraag die Asha en Ronald proberen te beantwoorden is waarom er eigenlijk nog dunne mensen bestaan in een wereld die zo vol is van verleidingen, dat het menselijke oerbrein ze niet meer kan weerstaan. Wat is hun geheim? Volgens dit boek zou dit voornamelijk in de genen zitten. Aan de hand van tweelingstudies illustreren de schrijvers dat een groot deel van hoe een lijf met eten omgaat, voorgeprogrammeerd is. Daar kun je zelf wel wat invloed op hebben, maar helemaal in de hand heb je het nooit.
Obesitas
Ook interessant zijn de beleidsaspecten rondom dik zijn die worden beschreven. Tegenwoordig wordt een BMI van 20-25 als de ‘gezonde’ marge gezien. Maar, een dikke twintig jaar geleden was de bovenmarge nog een BMI van 30. Toen kun je dus flink zwaarder zijn zonder de stempel TE DIK op je voorhoofd geplakt te krijgen.  Door de beleidsverandering werden in één klap duizenden Nederlanders te zwaar. Maar zijn ze dat ook echt? Is zwaar zijn wel zo ongezond? Volgens de schrijvers is een andere maat hard nodig, een maat die ook rekening houdt met bewegen en andere gezondheidswaarden. Een actieve dikkerd kan daarin gezonder zijn dan een bankzittende, van nature magere lat. Een BMI van 19 (één puntje te laag) is volgens de schrijvers veel ongezonder dan een BMI van 26 (één puntje te hoog).  Daar zouden beleidsmakers ook meer aandacht aan moeten besteden.
Het boek gaat ook over stigmatisering van dikke mensen. Over dat zij per definitie minder verdienen, en een minder goed sociaal leven hebben. Over hoe Asha op straat wordt aangesproken als zij haar halfjaarlijkse kroket eet, of haar kinderen een ijsje geeft. En over hoe bij ieder nieuwsbericht over obesitas, overgewicht of gezondheid, een foto van een hoofdloze dikkerd staat, zoals op de blog wordt geïllustreerd (vandaar ook de keuze voor de hoofdloze dikkerd als plaatje).
Het boek eindigt met tips voor dikke mensen om gezonder te zijn, en eventueel af te vallen. De voornaamste: ga niet voor de quick-fix, de diëten die een kilo per week beloven. Want net als in de overheidscampagne “Maak je niet dik” gewaarschuwd werd dat je vrij ongemerkt een kilo per jaar zwaarder kunt worden, geldt eigenlijk hetzelfde voor een kilo minder. Vervang één slechte gewoonte door een goede, en je raakt zo een kilo per jaar kwijt. Daar moet je wat geduld voor hebben, maar die kilo is dan ook écht weg, en het risico op het jojo-effect is drastisch verminderd. En probeer je niet te laten leiden, hoe moeilijk dat ook is, door aanbiedingen van snacks en snoep in supermarkten – 90% van die aanbiedingen zijn voor ongezonde producten. Daarmee is Eet Mij een boek over dik zijn en afvallen zonder smakeloze recepten en loze beloftes.
Ik genoot persoonlijk ook van de uitgebreide referenties, die niet zoals in wetenschappelijke artikelen midden in de tekst staan, maar aan het einde in ieder hoofdstuk, waarbij bij elke referentie ook een korte uitleg staat. Soms mét een flinke dosis humor. Het boek is verder uitgbreid met de eerder genoemde blog waar columns van de schrijvers over dit onderwerp verzameld zijn, en links naar andere websites worden opgenomen.
Kortom: voor zin en onzin over eten – Eet mij!

Deze recensie verscheen oorspronkelijk op Sciencepalooza

dinsdag 16 oktober 2012

Werken en feesten - Recensie van "Een beetje opstandigheid"

DOOR: EVA TEULING - NOORDERLICHT RECENSIE TEAM
'Werken en feesten vormt schone geesten', was de lijfspreuk van Johanna Westerdijk, de eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland. Maar die schone geest kon in haar ogen ook best een NSB'er toebehoren. Patricia Faasse heeft het leven van 'Hans' uitgebreid in kaart gebracht in 'Een beetje opstandigheid'.
Een beetje opstandigheid, cover.
De eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland - Aletta Jacobs zeker? Nee, dat was de eerste vrouwelijke studente in Nederland, de eerste hoogleraar is bijna net zo onbekend als Aletta Jacobs beroemd is. Dus, vond wetenschapshistorica Patricia Faasse, moest er maar eens een boek geschreven worden over deze bijzondere vrouw: Johanna Westerdijk, hoogleraar in de plantenziektekunde.

Johanna Westerdijk werd aan het eind van de 19e eeuw geboren in Amsterdam, haar vader was daar huisarts. Ze was een slimme leerling en had al vroeg veel interesse in de biologie. Na haar (onvolledige) middelbare schoolopleiding studeerde ze biologie, maar mocht officieel geen examens afleggen vanwege het gebrek aan vooropleiding. Toen zij vervolgens doorging met haar onderzoek, mocht ze ook niet zomaar promoveren omdat ze die biologie-titel niet had. Door uit te wijken naar München en later Zürich heeft ze uiteindelijk haar doctoraat weten te halen.
Het is 1906 als ze gevraagd wordt directeur te worden van een privaat gerund plantenziektekundig laboratorium in Amsterdam. Ze is dan pas 23 jaar oud, maar ze aanvaart de functie en gaat vol enthousiasme aan het werk. Het laboratorium zit in een veel te klein, donker pand, maar pas als de oorspronkelijke eigenaar overlijdt in 1917, verhuist het laboratorium naar een ruimer pand, Villa Java, in Baarn.
Ondertussen is Westerdijk ook directeur van het bureau Schimmelcultures, dat in beginsel niet veel voorstelt maar onder haar auspiciën uitgroeit tot een gerenommeerd instituut, nu onderdeel van de KNAW en nog steeds één van de grootste schimmelcollecties van de wereld. In Baarn groeien beide instituten uit tot belangrijke onderwijs- en onderzoeksinstituten, waar studenten uit Utrecht, Amsterdam en later heel Nederland cursussen volgen. In haar bijna 40-jarige loopbaan zal Westerdijk meer dan vijftig promovendi opleiden.
Oh, was ik maar een man
Westerdijk was een ambitieuze vrouw, die met veel toewijding voor haar planten, en later ook haar schimmels zorgde. Zeker in het eerste deel van het boek wordt veel aandacht geschonken aan haar problemen met het ‘vrouw zijn’. Al op de middelbare school laat ze zich ‘Hans’ noemen. Meerdere keren doet ze in brieven aan haar vriendinnen uitlatingen als ‘oh, was ik maar een man’. Ze denkt dat haar leven beter was geweest als ze dezelfde privileges had gehad als een man.
In 1914 bezoekt Westerdijk, na een verblijf in Indië, de Verenigde Staten. In Nederland was toen nog geen stemrecht voor vrouwen, maar in de Verenigde Staten wél. Echter, ontdekt Westerdijk snel, gelden in de VS weer hele andere regels voor vrouwen. In restaurants is er bijvoorbeeld een aparte deur voor vrouwen. Ze heeft veel moeite met deze dubbele moraal en verzucht dat een vrouw dan beter in Nederland kan zijn, zonder stemrecht, maar wel met veel meer morele en sociale vrijheid – uitspraken die haar niet in dank worden afgenomen.
Later, als directeur van het steeds groter wordende instituut, blijft ze strijden voor gelijke rechten voor vrouwen. Ze is lid, en later directeur, van de International Federation of University Women, leidt meer vrouwen dan mannen op en heeft altijd meer vrouwelijke werknemers dan mannelijke. Het feit dat ze nooit getrouwd is, en altijd kinderloos is gebleven, heeft natuurlijk vragen opgeroepen over haar seksuele geaardheid, die altijd onbeantwoord zullen blijven.
Hardwerkend feestbeest met vrije geest
Het boek geeft mooi weer hoe Hans groeit van opstandige, vrije en feestende biologie-studente tot hoogleraar die keihard moet werken om de beide instituten financieel overeind te houden, en tegelijkertijd aan de vraag naar het vele onderwijs moet voldoen. Maar ook tijdens haar topjaren als docente en directeur, blijft ontspanning een belangrijk aspect van het werk op de villa in Baarn. In een nieuw bijgebouw laat ze dan ook in steen haar lijfspreuk hakken: ‘werken en feesten vormt schone geesten’ – wat ze dan ook veelvuldig doen in Baarn.

Net als iedereen had het bureau van de Schimmelcultures het moeilijk tijdens de oorlog, toen er geen studenten waren, maar de vele duizenden schimmels wél onderhouden moesten worden. Aan het einde van de oorlog delen de medewerkers hun schaarse eten met de schimmels om ze te laten overleven. Westerdijk wordt het niet in dank afgenomen dat ze in de oorlogsperiode de belangrijke schimmels penicillum aan Duitsland heeft gegeven, wat belangrijke consequenties in het verloop van de oorlog zou hebben kunnen gehad. Westerdijk heeft altijd beweerd dat ze zéker niet de beste stammen aan Duitsland heeft gegeven, die zou ze hebben bewaard voor Nederland. Ook werkte er in de oorlog een NSB’er in Baarn, wat tot de nodige aanvaringen met het personeel leidt. Maar politieke voorkeur was voor haar niet van belang, zij vond dat wetenschap voor ging, en dat iedereen echte wetenschap een ‘schone geest’ zou hebben.
Het boek is een zeer precieze beschrijving van de verschillende periodes in Westerdijks leven. Faasse, als historica, heeft dit zeer grondig aangepakt en heel veel onderzoek gedaan. Maar soms is het iets te grondig. Het meer dan driehonderd pagina’s tellende boek is een verzameling van vele historische gegevens over Westerdijk, haar familie, haar vrienden, haar collega’s, de universitaire politiek in die tijd, en nog veel meer. Hierdoor leest het soms bijna als een geschiedenisboek, waarin lang niet alle feiten even nuttig zijn voor het verhaal. Het staat ook bol van de lange passages uit brieven van Westerdijk naar vele verschillende personen, die letterlijk in oud-Nederlands (en soms zelfs Frans en Duits) worden overgenomen, wat de leesbaarheid niet bevordert.
Echter, de vele historische feiten maken dat het boek een prachtig tijdsbeeld geeft van de verschillende periodes die het beslaat. Ook de overeenkomsten met de huidige universitaire wereld zijn opvallend: altijd geld tekort, altijd te weinig tijd om én studenten les te geven, én onderzoek te doen, én aan de universitaire bureaucratie te voldoen – dit is nu nog steeds dagelijkse praktijk. Verder is het als bioloog leuk om over de geschiedenis van de plantenziektekunde te lezen. Vele belangrijke hoogleraren uit die tijd, zoals Van Went en Ritzema Bos, leven nog altijd voort als gebouwen op Universiteiten, waar ik vaak geweest ben.
Ik had nog nooit van Johanna Westerdijk gehoord, maar na het lezen van dit interessante boek weet ik nu alles van haar, én nog veel meer dingen over de geschiedenis van het biologie-onderwijs in Nederland.
TitelEen beetje opstandigheid – Johanna Westerdijk, de eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland
Auteur: Patricia Faasse
Uitgeverij: Atlascontact, 2012
hardcover, 320 pagina's, 39,95 euro
ISBN: 9789025439446

woensdag 25 april 2012

Stapelgek onderzoek (recensie)


NRT-recensie: Je reinste wetenschap


  • DOOR: EVA TEULING - NOORDERLICHT RECENSIE TEAM
mens & maatschappij
Slankmakende chocola, de voorspellende waarde van je vingerverhoudingen, toevalligheden aanzien voor trends: in 'Je reinste wetenschap' legt Hans van Maanen de vinger op zwakke plek van allerlei wetenschappelijk onderzoek.


Wetenschapsjournalist Hans van Maanen schrijft sinds 2003 de columnreeks ‘twijfel’ in de Volkskrant, waarin hij wetenschappelijk onderzoek beschrijft dat slecht is uitgevoerd, eigenlijk geen resultaat heeft opgeleverd, of door persvoorlichters veel mooier gemaakt wordt dan het eigenlijk is. Naast het recente geval Diederik Stapel, die met zijn nep-onderzoek de wetenschap en de media jarenlang voor de gek hield, zijn er nog veel meer voorbeelden van slecht onderzoek. Hans van Maanen maakt er werk van: hij zoekt de originele publicaties erbij, rekent de sommetjes na en houdt tabellen en grafieken scherp tegen het licht. En komt zo vaak tot héél andere conclusies dan persvoorlichters van universiteiten en andere wetenschapsjournalisten.
Door zijn columns in de Volkrant is een 'Hans-van-Maanentje' in de journalistiek een eufemisme geworden voor onderzoek dat slecht is of te mooi om waar te zijn. In 39 columns, waarvan er een aantal eerder in de Volkskrant verschenen, kijkt Van Maanen naar onderzoek over dierenmishandeling, de frequentie van ongelukken bij regen, middagdutjes, het verband tussen baby’s en ooievaars, vrouwentranen, diëten, orgaandonaties, tandenpoetsen en de wijs-ringvinger-verhouding. Waarbij we meestal leren dat conclusies niet altijd zo duidelijk zijn ze als in de media worden weergegeven.
Chocolade-onzin
Om de inhoud van het boek niet weg te geven, een voorbeeld dat na het verschijnen van het boek in de Volkskrant stond. De University of San Diego verstuurde in maart een persbericht met de titel 'Regular chocolate eaters are thinner'. Daar hadden (wetenschaps) journalisten in landen waar chocola en obesitas volop aanwezig zijn wel oor naar. Het persbericht werd in talloze media aangehaald – op de ene plek wat subtieler dan op de andere - en op twitter stond het dagenlang bol de blije vrouwen.
Maar de werkelijkheid – doorgelicht door een Amerikaanse arts en blogger die vond dat er een (chocolade)geurtje aan het onderzoek zat – was anders. Het ging om te dikke mensen, waarvan gevraagd werd hoeveel van bepaalde voedingsmiddelen, waaronder chocola, ze consumeerden. Ook werden BMI en lichamelijke activiteit gemeten, daar werd wat statistiek op lostgelaten, en dat was alles. Ook Hans van Maanen schreef in de Volkskrant dat het ‘onderzoek dunner was dan de chocolade-eters’. Maar waarschijnlijk heeft alle media-aandacht al zoveel impact gehad dat de terechtwijzingen van Hans van Maanen niet meer konden voorkomen dat men zich massaal op chocola stortte.
Dit soort onderzoek, waarvan de lezer de resultaten op zichzelf kan ‘toepassen’ wordt snel opgepikt door journalisten. Maar ook persvoorlichters en wetenschappers weten dat ze met een leuke, herkenbare conclusie een grotere kans hebben om het nieuws te halen. Het boek is een heerlijke bloemlezing van dit soort onderzoek.
Getallen en statistiek
Veelal draait om het (verkeerd) interpreteren van getallen en statistiek. Zo leren we dat de ring-wijsvinger-verhouding (WRV) die gekoppeld is aan een keur van eigenschappen zoals academische prestaties, mondkanker, roeiprestaties of een aantrekkelijk gelaat, en bij mannen onder invloed staat van testosteron, gewoon heel variabel is. Want, zo rekent Van Maanen voor, de variatie in de WRV tussen de verschillende studies is veel groter dan de verschillen van WRV die binnen één studie als ‘significant verschillend’ werden gezien.
Ook leert Van Maanen ons het verschil tussen clusters van gebeurtenissen en een trend: als je met een gewone dobbelsteen vier keer achter elkaar zes gooit, is dat geen trend; wanneer je vaak genoeg blijft gooien zal het gemiddelde toch uitkomen op 3,5. Dat er binnen één jaar twee keer een “familiedrama” voorkomt in een stad, is dus geen trend die veroorzaakt wordt door kopieergedrag, maar gewoon ongelukkig toeval. Net zomin als het meer voorkomen van ooievaars in een stad verband houdt met meer geboortes.
Vaak gaat het ook mis met verhoogde of verlaagde kansen op ziektes en genezing. Als de kans op genezing 0,1% is (dus één op de 1000 personen geneest), en een interventie deze kans verhoogt naar 0,2%, genezen nog steeds maar heel weinig mensen. De káns op genezing wordt echter maar liefst twee keer zo groot. Dat is dan ook de titel van het persbericht, en de dikke krantenkop, en dat is wat mensen zullen onthouden.
Belangrijke conclusies
Hiernaast worden in het boek belangrijke wetenschappelijke conclusies onder de loep genomen. We leren dat mensen die met pensioen gaan, minder vaak naar hun werk fietsen; dat saaie scholen leiden tot meer cannabisgebruik; en dat het écht niet uitmaakt of een zwangere vrouw op haar linker- of rechterzij slaapt. Met prachtige oneliners maakt van Maanen gehakt van zulke conclusies. Zo schrijft hij dat ‘hartinfarcten meer voorkomen in een groep mannen met grijze haren dan in een groep mannen met zwarte haren’ (als je de onderzoeksgroepen goed kiest krijg je altijd wel een verschil). En met de uitspraak ‘de conclusie valt toch wel te trekken dat er geen conclusie te trekken valt’ weet je als lezer dat het écht niet pluis is.
De boosdoeners, volgens van Maanen, zijn er meerdere: onderzoekers zelf, die graag resultaten willen, persvoorlichters, die hun eigen universiteit in het nieuws willen brengen en journalisten die hun werk niet goed doen. Op dat laatste zul je Van Maanen niet makkelijk betrappen: een groot deel van het boek bestaat uit verantwoording van alles wat hij schrijft.
De take-home-message van het boek is dat ‘gewaarschuwd voor waarschuwingen een mens voor vier telt’. Kortom: als onderzoek te mooi lijkt om waar te zijn, dan is het dat vaak ook. Een zeer vermakelijk boek, waar je veel van kunt leren, waarin helaas wetenschappers en persvoorlichters er niet al te goed vanaf komen, en waarin Van Maanen concludeert dat wetenschapsjournalistiek het mooiste vak ter wereld is, als je het tenminste goed doet. En daar ben ik het helemaal mee eens.
---------
TitelJe reinste wetenschap - Over gezondheid, veiligheid en andere onzin
Auteur: Hans van Maanen
Uitgeverij: Contact, 2012
paperback, 216 pagina's, 16,95 euro
ISBN: 9789025438586

maandag 9 januari 2012

Fop je mentale boekhouder (recensie)

Recensie: Psycholo-geld
DOOR: EVA TEULING - NRT-RECENSIETEAM


De wetenschap achter onze irrationele omgang met geld, en tips om het te voorkomen.



In een tijd waarin banken omvallen, we de broekriem moeten aanhalen en er alarmerende berichten over pensioenen in de kranten verschijnen, komt een handboek over hoe je vooral níet met geld moet omgaan wel van pas. Dat dachten Anna Dijkman en Chris Zadeh waarschijnlijk ook, toen ze het boek Psychologo-geld schreven, met “9 psychologische valkuilen en 30 manieren om ze te vermijden”.



Het handzame boekje bevat psychologische inzichten in hoe mensen verkeerd met geld omgaan en waarom ze dat zo doen. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal tips hoe je zelf deze valkuilen kunt voorkomen. Overzichtelijk en duidelijk. Het boek is goed geschreven en leest makkelijk weg, maar soms komen de tips een beetje belerend over.


De schrijvers gebruiken veel oud en nieuw psychologisch onderzoek om onze relatie met geld uit te leggen. Een klassiek voorbeeld is een onderzoek naar `inattentional blindness`, waarbij proefpersonen een filmpje bekijken van mensen die ballen overgooien. De proefpersonen moesten tellen hoe vaak de ballen worden overgegooid, maar missen daarbij massaal een grote gorilla die door het beeld loopt. De schrijvers van het boek gebruiken dit verschijnsel om uit te leggen hoe in 2008 de Amerikaanse huizenmarkt kon instorten: mensen richtten zich massaal op de stijgende huizenprijzen (de ballen) en zagen niet dat zo´n systeem onmogelijk kon blijven bestaan (de gorilla).


Miljoenen voor gebakken lucht
Het boek staat ook vol met manieren om jezelf veel geld te besparen die wetenschappelijk of met voorbeelden uit de geschiedenis onderbouwd worden. Zoals: geloof nooit een expert omdat hij nou eenmaal expert is (denk aan Bernard Madoff of een hypotheekadviseur). Dat je niet altijd de massa moet volgen wordt geïllustreerd met een prachtig voorbeeld van een bedrijf dat F/Rite Air verkocht - inderdaad, gebakken lucht - als 1-april-grap en daar 20 miljoen mee ophaalde. De tips van de schrijvers: benader financiële kwesties met een gezonde dosis wantrouwen. Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, is het dat vaak ook.


De spaarzame tekeningetjes voegen meestal niet veel toe, behalve als verduidelijking van de torenhoge schulden van Bernard Madoff: 57 miljard dollar. Dit bedrag is genoeg voor een Ipad2 voor alle inwoners van Nederland, plus 10 jaar schoon drinkwater voor 884 miljoen mensen, plus een rondvaart door Amsterdam voor alle 127 miljoen Japanners, plus een ijsje voor de hele wereldbevolking, plus een vakantie van 2000 euro voor alle huishoudens in Nederland, plus een weekje slapen in het Amstel Hotel voor alle inwoners van Amsterdam. En dat alles doordat mensen hem blindelings vertrouwden omdat hij nou eenmaal een goede naam had.


De hoofdstukken worden afgewisseld met interviews met rijke BN’ers over hun omgang, successen, blunders en lessen met geld. Voor mij voegen deze niet veel toe, omdat ik het merendeel niet ken (maar misschien kijk ik te weinig TV).Een ander minpuntje vond ik dat dat de referenties per hoofdstuk in een alfabetische lijst staan en niet in de tekst worden aangegeven. Nu moet je hard zoeken als je meer wilt weten over een bepaald onderzoek, terwijl het boek echt wel op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd.


Starbucks-pensioen
Het boek staat gelukkig ook vol met voorbeelden en tips die dicht bij de dagelijkse werkelijkheid staan. Er wordt uitgelegd waarom meer studenten geld lenen dan zo’n 10 jaar geleden (omdat nou eenmaal iedereen dat doet). En hoe het komt dat je met een pinpas of creditcard meer uitgeeft dan met cash geld. En waarom mensen massaal niet van zorgverzekering veranderd zijn na 2006. En waarom het verschil tussen 10 en 15 euro véél groter lijkt dan het verschil tussen 120 en 125 euro. En dat je maar eens de rente op je langlopende spaarrekening moet nakijken, omdat banken rente vaak in kleine stapjes wat lager maken. En dat je vooral niet dagelijks een Cafe Latte bij de Starbucks moet kopen (dat kan je in 30 jaar bijna een half miljoen euro opleveren).


Door de tips over hoe je jezelf kunt behoeden voor je natuurlijk uitgeefgedrag, dus hoe je je mentale boekhouder voor de gek kunt houden, kun je écht geld besparen met dit boek. Kortom, een nuttig en goed leesbaar boek voor iedereen die aan het eind van zijn salaris vaak een stukje maand overhoudt. En ik ga eens kijken hoeveel rente ik nog krijg op de spaarrekening die mijn ouders ooit voor me geopend hebben. 


TitelPsychologeld - Waarom we stoppen met denken als we beginnen met uitgeven
Auteur: Anna Dijkman & Chris Zadeh
Uitgever: Maven Publishing, 2011
Paperback, 176 pagina's, EUR 15,00
ISBN: 9789490574260



Deze recensie verscheen op wetenschap24 voor het Noorderlicht Recensie Team

maandag 19 december 2011

Kanker, kwantumfysica en heel veel hersenen: mijn beste wetenschapsboeken van 2011


Als échte vakidioot lees ik graag populair wetenschappelijke boeken, dus ik kan natuurlijk niet achterblijven met mijn persoonlijk top-lijstje. Mijn boekenlijstje van 2011 bevat ook veel boeken uit 2010, want er wordt zoveel moois geschreven. Over kanker, kwantumfysica en heel veel hersenen:

1) The Emperor of all Maladies - a biography of cancer - van Sidhartha Mukerjee (2010). Mijn absolute topper van dit jaar (alhoewel het laatste boek altijd het beste is). Een zeer gedetailleerde beschrijving van kanker, van de allereerste beschrijvingen uit de Middeleeuwen, de start van de moderne geneeskunde, het uitvinden van de meest rigoreuze behandelingen, tot de opkomst van fund-raising en de “war on cancer” in de jaren ‘50 van de vorige eeuw. Een zeer compleet en boeiend boek. Ik betrapte mezelf ‘s avonds in bed aandachtig lezend (en vertellend aan mijn vriend) over de Pap-smear om baarmoederhalskanker aan te tonen. Niet erg romantisch, wel interessant.

2) How to Teach Quantum Physics to your Dog van Chad Orzel (2010). Door de titel wilde ik dit boek meteen hebben. Het bleek ook nog eens erg leuk: de schrijver legt quantumfysica uit in de belevingswereld van honden. De mooiste vondst is “Spooky Barking at a distance” als tegenhanger van Einsteins beschrijving van kwantumverstrengeling: “spooky action at a distance”. Wil je ooit iets over kwantumfysica leren maar snap je er eigenlijk geen barst van (zoals ik) - dan is dit boek een aanrader en leer je er echt wat van.

3) Ik was altijd heel slecht in wiskunde van de Wiskundemeisjes Ionica Smeets en Jeanine Daems (2011). Dit boek las ik in het kader van het Noorderlicht Recensie Team, maar ik had het al bijna zelf gekocht. Erg leuk, vol met degelijks toepasbare wiskundige weetjes over daten, IQ-testen en loterijen. Een bloemlezing met samenhang. Voor een meer uitgebreide recensie: zie Noorderlicht.

4) Incognito van David Eagleman (2011): las ik ook voor het Noorderlicht Recensie Team. Ik vond het boek een verfrissende tegenhanger van alle andere hersenboeken die vol staan met gekunstelde beschrijvingen van biologische processen. In dit boek worden de hersenen gewoon neergezet als een roze pudding. Lekker duidelijk. Lees hier de volledige recensie op Noorderlicht. Mijn topper onder de 3 hersenboeken van dit jaar.

5) The Magic of Reality van Richard Dawkins (2011). Eigenlijk een kinderboek, maar van Dawkins moet je als bioloog eigenlijk alles hebben. Zeker aangezien ik hem zeer binnenkort live ga zien in Groningen. Ieder hoofdstuk bestaat uit een `levensvraag` die aan de hand van mythes, plaatjes en uiteindelijk de wetenschap beantwoord wordt. De illustraties zijn ook erg mooi. Een kinderboek voor volwassenen.

6) Plastic Panda’s van Bas Haring (2011). Niemand zal de kritiek op dit boek ontgaan zijn. Bas Haring kreeg de meeste vreselijke commentaren over zich heen, doordat hij in dit boek de gedachte uit dat we wel met een paar soorten minder zouden kunnen. Ook zou het vol met biologische onjuistheden zitten. Misschien onleesbaar voor een natuurliefhebber, maar ik (ook bioloog) zie het boek meer als een filosofische bespiegeling. Op die manier zijn de ideeén van Haring bespreekbaar en het boek wél de moeite waard. Biologisch onwaar of niet, het gaat om de gedachtegang.

7) The Immortal Lives of Henrietta Lacks  van Rebecca Skloot (2010): Mooi boek over de geschiedenis van de wereldberoemde HeLa cellijn die gebruikt wordt in laboratoria over de hele wereld. Ook een zoektocht naar de geschiedenis van de onfortuinlijke vrouw wiens vreselijke tumor de bron was van deze cellijn, en haar erfgenamen die nooit iets hebben teruggezien van het succes van hun moeders en oma´s cellen. Iets te veel drama en sensatie naar mijn smaak, maar wel de moeite waard.

8) De Vrije Wil Bestaat Niet van Victor Lamme (2011). Na een handjevol hersenboeken ken je onderhand alle “speciale” gevallen van neurologisch interessante patiënten wel. Dit boek bracht mij dan ook niet veel nieuws, en door de zakelijke schrijfstijl is het een beetje saai. Minder leuk dan Incognito, maar nog wel beter dan Wij zijn ons brein.

9) Vallende Kwartjes van Bas Haring en Ionica Smeets (2010): Beetje fragmentarische bloemlezing. Stuk voor stuk leuke verhalen waarin wetenschap toegankelijk wordt gemaakt, alleen de samenhang mist een beetje. Goed om af en toe een verhaaltje in te lezen.

10) Wij zijn ons brein van Dick Swaab (2010). Ondanks het feit dat het maanden in de top-10-lijstjes van best verkochte boeken stond vond ik het niet om doorheen te komen. Swaab herhaalt zichzelf continu en komt steeds weer terug op zijn eigen onderzoek. Wil je iets leren over hersenen: neem dan het boek van Victor Lamme of liever nog David Eagleman.

Maar dat is mijn mening.

vrijdag 4 november 2011

Vanavond eten we π-zza

Puzzels, thuisproefjes, simpel sinterklaaslootjes trekken en tekortkomingen van het decmoratisch stemrecht: het komt allemaal voorbij in de bloemlezing van de wiskundemeisjes. En koop maar nooit meer een staatslot: de kans is groter dat je dood neervalt dan dat je de hoofdprijs wint.


Ik lees de columns van de wiskundemeisjes in de Volkskrant met veel plezier, en had het verschijnen van hun boek “Ik was altijd heel slecht in wiskunde” op de voet gevolgd. Na een aantal lovende recensies over het huis-tuin-en-keuken wiskundeboek was ik al bijna onderweg naar de boekenwinkel, toen ik het kon recenseren voor NRT. Ik was vroeger, op de lagere en middelbare school, altijd best goed in rekenen en wiskunde en vond het ook leuk, maar ondanks mijn beta-opleiding (biologie) heb ik wiskunde in het dagelijks leven niet echt meer nodig. Althans, dat dacht ik, maar de wiskundemeisjes laten zien dat wiskunde in het dagelijks leven niet te vermijden is.


Het boek bestaat uit verschillende hoofdstukken, rond één thema opgebouwd, met de columns uit de Volkskrant, lees-en museumtips, proefjes voor thuis, puzzels (gelukkig met oplossingen) en verhalen over bijvoorbeeld beroemde wiskundigen. Wiskundig benaderd bevat het boek 13 leestips, 9 puzzels, 9 doe-het-zelf thuisproefjes, 5 museumtips, 5 kijktips, 5 beroemde wiskundigen, 4 cadeautips en 2 reistips. Een beetje hobby-wiskundige ziet dat deze reeks een aantal priemgetallen bevat, maar hebben de wiskundemeisjes ook een patroon in deze getallenreeks aangebracht? Ik heb het nog niet kunnen vinden.


Maar, zoals te lezen valt in het eerste hoofdstuk, een patroon zal er in deze reeks zitten! Er zijn namelijk altijd meerdere patronen te ontdekken in een reeks getallen! Het antwoord op de vraag: wat volgt er na 1, 3, 6, 10 is niet alleen 15, 21, 28; er zijn nog veel meer mogelijkheden. Bij IQ-testen, waar je vaak dit soort reeksen moet aanvullen, wordt verwacht dat je de meest voor de hand liggende reeks uitkiest. Maar een beetje slimmerik kan dus meer goede antwoorden bedenken. In het boek wordt verder aandacht geschonken aan allerlei aspecten van de wiskunde: de patronen van jaren 70-behang, sinaasappels stapelen, het beroemde getal pi, het spijkerschrift van de Babyloniërs en binaire getallen.


Zes keer handje schudden
Eén hoofdstuk gaat over de wiskunde van vrienden en liefde, en daarbij wordt het boek The Tipping Point van Malcolm Gladwell aangehaald, dat ik toevallig net gelezen heb. Gladwell beschrijft dat de theorie dat je binnen zes stappen de hele wereld kent, verklaard kan worden door mensen die veel mensen kennen, zogenaamde connector. Voor de wiskundemeisjes is het een peuleschilletje om dit door te rekenen en je kunt zelf testen of je ook zo’n connector bent of niet. 


In The Tipping Point wordt ook beschreven dat mensen vermoeden dat hun vrienden meer vrienden hebben dan zijzelf. Dit wordt eens wiskundig onder de loep genomen en vervolgens keihard bewezen. Daarnaast rekenen de wiskundemeisjes voor hoeveel partners je moet hebben gehad om bij de juiste te blijven hangen. Het antwoord daarop is ongeveer 12 - gelukkig kun je het begrip “partner” volgens deze theorie ruim interpreteren zodat ook Ionica Smeets het bij haar huidige partner kan houden (en ik ook).


Mijn favoriete hoofdstuk gaat over kansen. De wiskundemeisjes leggen haarfijn uit dat de kans dat je dood neervalt na het kopen van een lot is groter dan de kans dat je ooit de hoofdprijs van de loterij wint. Ook laten ze zien hoe een medische test die slechts 1% fout-positieven oplevert onbruikbaar is om mensen te testen voor een ziekte. Een leestip uit dit hoofdstuk is het boek “Goochelen met Getallen” van Hans van Maanen, waarin hij uitlegt hoe je met één set gegevens meerdere resultaten kunt verkrijgen.


Verzonnen getallen opsporen
“Ik was altijd heel slecht in wiskunde” was al verschenen voor de affaire met psycholoog Stapel, anders hadden de wiskundemeisjes een extra hoofdstuk kunnen schrijven over zijn gerommel met gegevens. Een serie verzonnen getallen, zoals waarschijnlijk het geval is met het nep-onderzoek van Stapel, kan door een wiskundig programma met gemak onderscheiden worden van een serie random gegenereerde – of empirisch verkregen - getallen. En dat is precies wat de statistici die het onderzoek van Stapel nog eens gaan uitpluizen gaan doen.


Via een laatste hoofdstuk waarin uitgelegd wordt hoe codes in ISBN-nummers werken (ik wist niet eens dat ze bestonden), een simpele manier van sinterklaaslootjes trekken en de uitleg van waarom democratisch stemmen eigenlijk nooit goed is (de verkiezingsparadox) heb ik in één grijze novemberdag het boek uit. Door de opbouw in korte columns, weetjes en verhalen is het boek prima geschikt om in stukjes te lezen. Toch wordt het niet fragmentarisch, zoals ik bij een bloemlezing wel eens ervaar. Ook is het register in het boek erg fijn, bij twijfel kun je zo weer opzoeken wat axioma’s en grafen ook alweer waren.


Ik heb ook zeker wat geleerd van dit boek, en dat was vast de bedoeling. Alhoewel wiskundemeisje Jeanine Daems dit op de basisschool al leerde weet ik nu ook hoe je makkelijk kunt zien of een getal deelbaar is door 3. Ook heb ik nu weer twee nieuwe boeken op mijn lijstje die ik wil lezen. Jammer dat er niet een nawoord of conclusie aan het eind van het boek zat waarin nog eens wat dingen worden samengevat, maar verder is dit boek een aanrader voor iedereen die getallen leuk vindt, niet bang is voor formules en wil weten hoe je op de beste manier badkamertegeltjes kunt leggen. En vanavond eten we π-zza.
TitelIk was altijd heel slecht in wiskunde - Reken maar op de wiskundemeisjes
Auteur: Jeanine Daems & Ionica Smeets
Uitgever: Uitgeverij Nieuwezijds, 2011
Paperback, 206 pagina's, EUR 19,95
ISBN: 9789057123368


Deze recensie verscheen op website van Wetenschap24 voor het NRT-recensieteam

zondag 1 mei 2011

Het brein als tweepartijenstelsel

NRT-recensie: Incognito - The Secret Lives of the Brain by David Eagleman

Er is de laatste tijd een stortvloed aan populair-wetenschappelijke boeken over de hersenen verschenen. ‘Incognito’ van de Amerikaanse neurowetenschapper David Eagleman valt op door de beeldende en begrijpelijke stijl.

Toen mij gevraagd werd het nieuwe Amerikaanse hersenboek Incognito te recenseren, had ik nog maar net De vrije wil bestaat niet van Victor Lamme uit; Wij zijn ons brein van Dick Swaab ligt nog in mijn boekenkast te wachten - maar ik heb er al wel veel over gelezen. Hersenonderzoek is de laatste tijd een hype, getuige de hoeveelheid boeken die er over dit onderwerp verschijnen, maar het onderwerp blijft ook voor mij (gepromoveerd in de neurowetenschappen) intrigerend en de nieuwe ontwikkelingen in het gebied vragen zeker om veel uitleg.

David Eagleman is, net als Lamme en Swaab, neurowetenschapper, en dit boek vertoont dan ook veel overeenkomsten met De vrije wil bestaat niet. Dat is ook niet zo raar, want veel van de huidige kennis van hersenwetenschap stamt af van een beperkt aantal “aparte” gevallen die uitgebreid bestudeerd en beschreven zijn. Dus ook in dit boek komen de slaapwandelende moordenaar aan bod, de blinde-die-toch-kan-zien en personen met het alien-hand-syndrome.

Roze pudding
Maar Incognito is veel minder biologisch en de schrijfstijl van Eagleman is, in tegenstelling tot de soms wetenschappelijke taal van Lamme, heel beeldend en begrijpelijk. Zelfs ik, als bioloog, vind het verfrissend om geen, zogenaamd simpele, gekunstelde beschrijvingen van biologische processen te lezen. Eagleman zet ons brein neer als een roze pudding van anderhalve kilo en probeert door het hele boek heen dit enorm complexe orgaan te vergelijken met dagelijkse dingen. Bijvoorbeeld de krant: je hoeft niet alle gebeurtenissen te kennen om te begrijpen waar een grote kop in een dagblad over gaat en wat het voor invloed heeft op jouw leven.

Of politiek: Eagleman beschrijft het brein als een twee-partijen-systeem: rede en emotie, die continu met elkaar in gevecht zijn over wat te doen. Maar uiteindelijk hebben beide partijen hetzelfde einddoel: het in stand houden van een individu (of een land). De alledaagse voorbeelden die hij gebruikt (wel of geen chocoladecake eten) komen door het hele boek in verschillende contexten terug, waardoor iedere situatie die beschreven wordt, makkelijk te begrijpen is.

Moord met hersentumor
Hiernaast is Eagleman ook oprichter van het Initiative for Neuroscience and Law, dat onderzoekt hoe de neurowetenschappen ons strafrecht zullen gaan veranderen. In dit vakgebied houdt men zich bijvoorbeeld bezig de vraag of iemand met een hersentumor wel of niet schuldig bevonden kan worden aan een moord (in veel gevallen niet). Omdat iedereen de optelsom is van zijn of haar genen, biologie, en omgeving, kunnen misschien meer misdrijven anders bekeken worden. Aan de hand van vele sprekende voorbeelden stelt hij dat het verkeerd is om te spreken van een “schuldvraag” maar dat in de rechtspraak meer bekeken moet worden hoe een persoon het beste behandeld kan worden.

Het laatste hoofdstuk is een filosofisch-ethische bespiegeling van de relatie tussen wat kan met de nieuwste neuro-technieken (zoals neuroimaging) en wat wenselijk is. Eagleman onderschrijft dat het niet ethisch is als de overheid kan weten waar iemand aan denkt (het denken aan een moord is niet strafbaar), maar dat het wel de verantwoordelijkheid van de persoon is, om het bij het denken te houden. Door de vooruitgang in neuroimaging technieken zullen de rechtspraak en de neurowetenschappen steeds dichter bij elkaar komen te staan.

Samenvattend geeft Eagleman met dit boek een goed inzicht in de werking van de hersenen, waar in zijn geval weinig vaktermen en biologie aan te pas komen. Door de filosofische draai die hij aan het eind aan het boek geeft wordt de lezer achtergelaten met de vraag in hoeverre ons gedrag bepaald wordt door onszelf, of door onze pudding van anderhalve kilo. Een vraag waar volgens mij nog vele boeken over geschreven gaan worden - ik moet maar snel beginnen in Wij zijn ons brein, en ik vraag me af of deze professor uit Houston gehoord heeft van de twee Nederlandse voorlopers van zijn boek.

Dit artikel verscheen op de website van het Noorderlicht recensieteam

Titel: Incognito – The secret lives of the brain
Auteur: David Eagleman
Uitgever: Pantheon Books (VS); Canongate Books (GB)
Hardcover, 272 pagina’s, prijs variabel
ISBN (Britse versie): 978-1847679383

 

vrijdag 22 januari 2010

Terug naar de oermens?

André de Vries: De sluipende moordenaar - Hoe chronische ziekten worden veroorzaakt door alledaagse voeding (Free Musketeers, 2010, ISBN 9789048410491)

Glutenintolerantie (coeliakie), lactose-allergie, obesitas, astma, chronische vermoeidheid, depressies; het lijkt erop dat een steeds groter deel van de westerse bevolking te maken krijgt met allerlei vervelende kwalen en aandoeningen. Ondanks de vooruitgang van de medische wetenschap de afgelopen decennia kampen veel mensen met ongemakken waar geen medicijnen voor beschikbaar zijn. Ook het deel van de bevolking dat te maken krijgt met kanker en ouderdomsziektes zoals Alzheimer en Parkinson wordt steeds groter. Hoe komt dit toch?


André de Vries (1974) vraagt zich dit ook af op het moment dat hij zelf wordt getroffen door een mysterieuze ziekte (wat later de ziekte van Takayasu blijkt te zijn). Hij voelt zich continu moe en heeft last van allerlei onverklaarbare ontstekingen. De Vries is chemicus en doet op dat moment zijn promotie-onderzoek bij de afdeling genetica van het UMCG, waar hij auto-immuunziekten bestudeert. Uit het onderzoek van zijn groep blijkt dat verschillende van deze immuungerelateerde ziektes (Crohn, multiple sclerose, reuma, diabetes, coeliakie) vergelijkbare genetische oorzaken hebben. De Vries denkt zelf coeliakie te hebben begint aan een gluten-vrij dieet. Hij knapt hiervan wat op, maar op langere termijn lijkt het toch niet te helpen. Als echte onderzoeker legt hij zich hierbij niet neer en speurt het internet af. Ondanks de overload aan informatie weet hij op het world-wide-web goed de zin van de onzin te scheiden en krijgt hij contact met vooraanstaande wetenschappers uit het veld. Hij en zijn vriendin proberen meerdere diëten uit en komen uiteindelijk uit bij het paleo-dieet. Dit bestaat uit veel vlees en vis, fruit en groenten zonder melk- en melkproducten en zonder koolhydraten zoals pasta, rijst, brood en aardappelen. Precies zoals onze voorouders 200.000 jaar geleden leefden, voordat de landbouw en de veeteelt werden uitgevonden. Zou dit de oplossing zijn voor zijn gezondheidsproblemen?

In het eerste deel van het boek beschrijft De Vries in dagboekvorm (soms iets te) uitgebreid wat hij eet en doet en wat het effect daarvan op hem is, tot aan de details van zijn toiletbezoeken. De Vries neemt de lezer letterlijk mee aan tafel en naar al zijn artsen; en hij gelooft dat het paleo-dieet hem beter heeft gemaakt en zal blijven houden. In het tweede deel van het boek beschrijft De Vries zijn gezondheidsproblemen en vertrouwen in het paleo-dieet in de context van de evolutie en de biologie. Hij beschrijft dat de huidige mens genetisch nog vrijwel identiek is aan onze voorouders van 200.000 jaar geleden, en stelt dat de evolutie bij lange na niet snel genoeg is om de mensheid sinds de ontdekking van de landbouw (10.000 jaar geleden) genetisch aangepast te krijgen aan het dieet van granen. Vervolgens richt hij zich op de biologische basis van zijn dieet: waarom zijn bepaalde voedingsmiddelen (granen, melk, nachtschades, peulvruchten) slecht voor ons, terwijl deze juist aangeraden worden door allerlei voedingsadviezen? Hij beschrijft hoe bepaalde onderdelen uit deze voeding (gluten, lectines en saponines) tot een verhoogde darmdoorlaatbaarheid zorgen, met alle gevolgen van dien. Uiteindelijk trekt hij de redelijk vergaande conclusie dat de moderne mens in zijn geheel ziek is door onze voeding.

Wil De Vries iedereen dan aan het paleo-dieet hebben? Gelukkig realiseert hij zich dat dit niet haalbaar is met de huidige omvang van de mensheid. Hij wil zijn boek gebruiken als advies aan artsen, de overheid en iedereen die gezonder wil worden, en hoopt te bereiken dat mensen zich realiseren dat wat je eet in grote mate bepalend is of je wel of niet gezond blijft. In dit opzicht is het boek een nobel streven naar een betere wereld, waarin de economische belangen van de voedings- en farmaceutische industrie overwonnen zullen gaan worden door een betere volksgezondheid door middel van preventie.

Ondertussen kijk ik tijdens de lunch net iets minder argwanend naar de doosjes salades die André iedere dag tevoorschijn tovert terwijl ik zelf geniet van mijn biologische boterhammen met worst of kaas en beker karnemelk. Ook ik geloof dat gezonde voeding kan helpen bij het voorkomen van allerlei gezondheidsproblemen, maar houd het voorlopig nog op mijn standaard Nederlands dieet, waar ik het al 30 jaar goed op doe. Maar of dit genoeg is om gezond oud te worden? De tijd zal het leren...

- Deze recensie verscheen eerder in het GroninGEN, het maandblad van de afdeling Genetica van het UMCG in Groningen -