Posts tonen met het label science communication. Alle posts tonen
Posts tonen met het label science communication. Alle posts tonen

zondag 1 september 2013

Hoe biologiestudenten beter leren lezen

Weinig mensen zullen voor hun plezier tijdschriften met peer-reviewed wetenschappelijke artikelen lezen. Daar zijn zulke tijdschriften ook niet voor – ze zijn een medium voor wetenschappers waarmee zij onderling hun bevindingen kunnen delen. Vooral wetenschappers moeten de artikelen die hierin staan kunnen begrijpen, en natuurlijk studenten die opgeleid worden tot wetenschappers. Dat laatste blijkt echter nogal tegen te vallen, zeker eerstejaars studenten begrijpen wetenschappelijke artikelen helemaal niet zo goed als altijd werd aangenomen. Maar gelukkig is daar wel wat aan te doen, laatonderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen zien.
Bioloog en onderwijskundige Edwin van Lacum en collega’s onderzochten het begrip van wetenschappelijke teksten bij studenten, en ontdekten dat dit pas in een late fase van de studie echt tot stand komt. Dat wordt volgens Van Lacum veroorzaakt doordat wetenschappelijke artikelen heel anders van opzet zijn dan teksten in schoolboeken. In schoolboeken wordt de stof vaak zo lineair mogelijk uitgelegd, van A tot Z. Op de middelbare school wordt dan ook aangeleerd om teksten lineair te lezen. Schrijvers van wetenschappelijke artikelen daarentegen proberen met hun teksten de lezer te overtuigen van hun gelijk, en gebruiken daarbij vaak een complexere taalstructuur. Als lezer van zulke teksten moet je soms bij Z beginnen, om dan via A en M uiteindelijk weer bij Z uit te komen. Die omslag in het lezen blijken eerstejaars studenten nog niet goed te kunnen maken.
De onderwijskundigen ontdekten dit in hun onderzoek waarvoor eerstejaars van de opleidingen Life Sciences and Technology en Biologie als proefkonijnen gebruikt werden. De studenten moesten voor het vak Biomedisch Onderzoek wetenschappelijke artikelen lezen over een biologisch onderwerp. Vervolgens vroegen de onderzoekers de studenten welke conclusies ze uit de artikelen konden halen, en wat volgens hen daarvoor de onderbouwing was. Hieruit bleek dat de studenten fragmenten in de tekst die een bepaalde communicatieve functie hebben, zogenaamde retorische moves zoals de onderzoeksvraag, het motief of de conclusie, niet goed herkenden. Zo kwamen ze soms met conclusies op de proppen die niet uit het artikel te halen waren.
Er was dus flink wat mis met de leesmethode van de studenten. Op basis hiervan ontwikkelden de onderwijskundigen een onderwijsmodel om studenten te helpen die retorische moves beter te herkennen: hetScientific Argumention Model. Tijdens het volgende collegejaar werden meer dan 100 eerstejaars studenten getraind dit model te gebruiken bij het lezen van wetenschappelijke artikelen. Dat bleek te helpen: de studenten die dit model gebruikten waren duidelijk beter in het herkennen van retorische moves dan studenten die normaal de tekst lazen. Een slimme manier dus om studenten sneller bij te brengen hoe wetenschappelijke literatuur in elkaar zit.
Bij universitaire opleidingen wordt er vanuit gegaan dat studenten teksten wel kunnen begrijpen. Zeker in bèta-studies is taal een ondergeschoven kindje, volgens Van Lacum, en ondergeschikt aan het belang van de inhoud. Dat heeft dus als resultaat heeft studenten de teksten (en dus de inhoud) niet goed begrijpen. Het lezen van wetenschappelijke artikelen is minstens net zo belangrijk als het leren schrijven van zulke artikelen, zeggen de onderzoekers. Ze hopen nu dat dit model breder wordt gebruikt in het wetenschappelijk onderwijs. Misschien kan op het VWO al begonnen worden met het Scientific Argumentation Model , om scholieren voor te bereiden op de universiteit. Want wetenschappers vragen hun teksten lineair te schrijven zodat eerstejaars studenten ze begrijpen, zal waarschijnlijk níet lukken.
Dit artikel verscheen in de Groene Amsterdammer voor Sciencepalooza

donderdag 30 mei 2013

Uw smartphone als wetenschappelijk instrument


iSPEX-proto2a
Burgerwetenschap, of citizen science, is hot. Bij steeds meerwetenschappelijke projecten wordt het publiek opgeroepen mee te helpen met het verzamelen van gegevensZoals Foldit, een computerspel waarbij spelers worden uitgedaagd om eiwitten op de juiste manier te vouwen, of  Galaxy Zoo, waarbij amateursterrenkundigen sterrenstelsels vanachter de computer konden classificeren. Tientallen van zulke projecten zagen de afgelopen jaren het licht (voor een overzicht: www.zooniverse.org). Nederland kende eerder al deSplashteller, waarvoor automobilisten werden opgeroepen om dode insecten van hun nummerborden te pulken en deze maand begint in Nederland een nieuw wetenschappelijk experiment waarbij gewone de rol van de wetenschapper deels overnemen. In het project iSPEX gaat de burgeractief op pad om een bijdrage te leveren aan de wetenschap. Met een alledaags voorwerp: de smartphone.
iSPEX gaat over fijnstof: kleine deeltjes in de atmosfeer van de aarde, zo klein dat ze blijven zweven in de lucht. Fijnstof wordt geproduceerd door verkeer en de industrie, maar ook zoutkristallen of woestijnzand vallen onder de term fijnstof. Die deeltjes zijn zo klein dat ze kunnen worden ingeademd, waardoor fijnstof een schadelijk effect kan hebben op de gezondheid. Vooral mensen met astma of andere longproblemen zijn er gevoelig voor. Het doel van het iSPEX-project is om beter zicht te krijgen op de hoeveelheden en de soorten fijnstof op verschillende plaatsen in Nederland.
Lees verder op Sciencepalooza

zaterdag 5 januari 2013

Wetenschap stoffig vinden is zó 2011



Wetenschap is hot. Als zelfs De Wereld Draait Door begint met een dagelijks gesprek met een wetenschapper, als zelfs Alexander Klöpping een Universiteit van Nederland opricht, en als heel de wereld aan de TV gekluisterd zit bij de persconferentie over het ontdekte Higgs-deeltjes, dan durf ik voorzichtig te zeggen dat wetenschap het stoffige imago lijkt te verliezen. Ik sluit niet uit dat mijn positieve beeld mede veroorzaakt wordt door mijn interesse in dergelijke initiatieven en ik daardoor wat tunnelvisie heb, maar dat terzijde.
Dat wetenschap populair wordt, kan mede toegeschreven worden aan wetenschapscommunicatie. Van individuele initiatieven naar professionele organisaties; van die ene wetenschapper met een twitteraccount tot hele instituten die social media omarmen: wetenschapscommunicatie lijkt volwassen te worden. In 2012 startten een aantal leuke en interessante initiatieven voor wetenschapscommunicatie (en gingen een aantal dingen goed mis). Hieronder een (beperkt, dus zeer onvolledig, en daarbij ook nog eens zeer subjectief) lijstje:
wetenschap is coolGoed:
Wetenschap101: een aantal wetenschapsjournalisten startte in februari van dit jaar videoblog Wetenschap101: filmpjes over wiskunde, natuurkunde, sterrenkunde, biologie en meer van slechts 101 seconden. Deze korte wetenschapsbites geven je een snelle uitleg van complexe en alledaagse problemen, zoals hoe je het beste lootjes kunt trekken, over meanderende rivieren, over de metro van Londen en over hoe je het beste droog kunt blijven in de regen. Ik maakte een gastbijdrage over lapjeskatten.
De wetenschappers van De Jonge Akademie, eerder dit jaar onderwerp van een special met gastbijdrages en interviews op SciencePalooza, begonnen eind dit jaar met een wekelijks “dagboek van een wetenschapper”. In dit dagboek geven onderzoekers een week lang een kijkje in hun leven. De dagboekfragmenten geven een goed beeld van het spannende en dynamische leven als wetenschapper, niets stoffigs aan.
Dit jaar startte Flintwave, waardoor het ook in Nederland nu mogelijk wordt om een wetenschappelijk onderzoek uit te voeren met hulp van crowdfunding: (kleine) bijdragen van individuen waardoor je jouw project gefinancierd kunt krijgen. Op dit moment kunnen mensen onder andere bijdragen aan het printen van nieuwe oren, een grote studie naar leiderschap of aan onderzoek naar virussen.
Wetenschapper 2.0: een blog voor wetenschappers over hoe zij zélf social media, blogs en andere online tools kunnen gebruiken om meer bekendheid te verwerven, zowel als wetenschapper als communicator van wetenschap.
Eerder dit jaar schreef ik nog kritisch hoe Mattijs van Nieuwkerk altijd doet alsof hij dom is wanneer één van zijn gasten woorden als “DNA” of “kwantum” gebruikt, maar nu moet ik (schoorvoetend) toegeven dat De Wereld Draait Door goed bezig is met wetenschap. Na twee mooie afleveringen van DWDD University met Robert Dijkgraaf beginnen ze nu in februari met de Wereld Leert Door: dagelijkse interviews met wetenschappers. Ik kan alleen maar zeggen: ga zo door.
De Volkskrant kondigde eind november aan een wetenschapsproject vanaf het begin te gaan volgen. Hiermee willen ze de krantlezer een duidelijker beeld geven van wat wetenschap bedrijven nou precies inhoudt. Ik vermoed dat complexe onderzoeksprojecten die soms 10 jaar kunnen duren niet aan bod komen, maar desalniettemin vind ik het een mooi initiatief.
Slecht:
Een EU-campagne om wetenschap te promoten onder vrouwen, Science: it’s a girls thing, werd een bron voor kritiek. De lippenstiften, hoge hakken en sexy vrouwen vielen zachtgezegd niet in de smaak. Het filmpje werd verwijderd en veelvuldig geparodieerd (zoals deze), en ontstak een reeks van boze blogs, veel van vrouwen. Maar misschien heeft al die aandacht toch wat goeds opgeleverd?
De NOS lag dit jaar zwaar onder vuur van wetenschapsjournalisten. De grote nieuwsgever blunderde meerdere keren door fouten in berichten over wetenschap, en door over gesponsorde onderzoekjes te berichten als “echte wetenschap”. Zo werd een item over social media stress bij jongeren, dat uitgevoerd was door een bedrijf dat trainingen verkoopt, door de NOS als grote ontdekking gebracht. Maar de NOS houdt vast: met 365 fte aan personeel hebben ze géén enkele wetenschapper in dienst, en dat houden ze zo (zie voor uitgebreid commentaarhier en hier.
Mijn voorspelling: in 2013 is wetenschap hot!
Ben ik essentiële projecten vergeten? Deel ze in de comments op Sciencepalooza

woensdag 21 november 2012

Wetenschap is kinderspel

Universiteiten waarschuwen er al een tijdje voor: als jongeren massaal bètastudies blijven ontwijken is er over een aantal jaar geen enkele goede Nederlandse wiskundige of natuurkundige meer over. Ondanks inspanningen van universiteiten om meer leerlingen geïnteresseerd te krijgen in natuurkunde, wiskunde en scheikunde, gaan de meesten nog steeds liever sportmanagement, mediastudies of rechten studeren. De vraag is waardoor dat komt. Is het imago van de bètawetenschap nog steeds stoffig? Of kiezen leerlingen geen bèta omdat ze niet goed weten wat je er precies mee kunt? Wat nu als je kinderen al op een jongere leeftijd, als ze het nog leuk vinden, actief bezig laat zijn met wetenschap en techniek? Zouden ze dan wel geïnteresseerd zijn wanneer de studiekeuze voor de deur staat?
Er is genoeg bewijs dat kinderen op jonge leeftijd complexe dingen goed begrijpen. In september vatte een uitgebreid artikel in Science onderzoek naar het wetenschappelijk denken bij kinderen samen. Kinderen zijn eigenlijk net wetenschappers, is de conclusie van het artikel; bij het spelen gebruiken ze dezelfde methoden voor het testen van hypotheses en theorieën. De auteurs raden dan ook aan om vrij spelen en experimenteren meer ruimte te geven op school. Als kinderen juist op jonge leeftijd ‘onderzoek’ kunnen doen, is de interesse gewekt en kiezen ze op een latere leeftijd eerder voor bèta.
Kinderen als echte wetenschappers
kinderen en wetenschapKinderen kunnen ook écht bijdragen aan wetenschappelijk onderzoek. Zo organiseerde het Science Museum in Londen een project, “Blackawton Bees”, waarin 25 kinderen van de Blackawton basisschool (8-10 jaar) samen werkten aan een onderzoek over bijen. Dat onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Biology Letters. Bovendien gaf initiatiefnemer Beau Lotto hierover een inspirerende TED-talk, samen met één van de kinderen. Lotto is ervan overtuigd dat spelen en wetenschappelijk onderzoek eigenlijk vrij dicht bij elkaar liggen. Met ‘Blackawton Bees’ demonstreert hij dat kinderen uitstekend in staat zijn om de juiste vragen te stellen en de juiste experimenten uit te denken. Het staat echter wel haaks op de trend in Nederland om onderwijs meer te structureren en meer prestatiegericht te maken.
Huiverige docenten
De enigen die “Blackawton Bees” niet leuk vonden, waren de docenten van de school. Zij geloofden eerst niet dat de kinderen in staat waren om echt wetenschappelijke experimenten te doen. Bovendien hadden ze minder controle over wat hun leerlingen aan het doen waren; heel gewoon voor wetenschappers, maar lastig voor de docenten. Misschien ligt hier een voorname oorzaak van de geringe aandacht voor wetenschap en experimenteren op de basisschool; docenten hebben er moeite mee. Niet alleen omdat ze huiverig zijn bij het idee van ‘vrij’ spelen en experimenteren, maar ook omdat ze niet opgeleid zijn om wetenschapsles te geven. Zo krijgen slimme kinderen dus weinig mogelijkheden om hun onderzoeksvaardigheden te ontplooien, zeker als ze niet kunnen meedoen aan unieke projecten.
Het uitnodigen van onderzoekers en andere professionals in de klas kan een oplossing zijn, laat een recente studie zien. Daarin lieten Amerikaanse onderzoekers studenten lessen geven in wetenschap geven aan kinderen in fourth grade (9-10 jaar) van een school in Los Angeles. De lessen duurden slechts een uur en waren vrij simpel, zoals het bekijken van objecten door de microscoop. De lessen waren zeer effectief: wanneer leerlingen in één jaar 10 uur science education kregen, scoorden zij beter op testen voor wiskunde en taal. En mogelijk nog belangrijker: de leerlingen beoordeelden wetenschap als “leuk”. Science was niet langer een werkje of schoolopdracht, maar iets waar je met plezier mee bezig kunt zijn. Of dit ook leidt tot latere keuze voor bèta-studies is natuurlijk nog niet duidelijk, maar de interesse is in ieder geval gewekt.
Als zo’n simpel experiment op een achterstandsschool in de VS er al toe kan leiden dat leerlingen wetenschap leuk gaan vinden, is er ook in Nederland nog een grote slag te maken. Meer en uitgebreidere programma’s voor wetenschap en techniek op de basisschool zouden helpen om kinderen op een jonge leeftijd – wanneer ze nog intrinsiek in alles geïnteresseerd zijn – in aanraking te laten komen met onderzoek. En dat hoeven de docenten op de basisschool heus niet zelf allemaal te doen, juist onderzoekers, studenten en professionals zijn hiervoor prima geschikt. In Nederland bestaan bijvoorbeeld wetenschapsknooppunten, andere initiatieven en bedrijven die juist dit soort lessen organiseren. Het enige wat de docenten hoeven te doen, is achterover leunen, en accepteren dat hun leerlingen met iets bezig zijn, waar ze geen grip op hebben.

Dit artikel verscheen op Volkskrant Opinie en Sciencepalooza

zondag 4 november 2012

Wat is Wetenschap eigenlijk? - luistertip

Het wetenschappelijke radio-programma “Labyrint” van de VPRO, waarin wekelijks een uur lang gepraat wordt over nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, heeft ook een korte rubriek waarin ze mensen op straat de vraag stellen: “Wat is Wetenschap”?

Mensen noemen vaak medische vooruitgang en technische hoogstandjes, dingen die ons allemaal aangaan én er inderdaad niet zouden zijn zonder wetenschap. Maar soms zijn de antwoorden zowel lachwekkend als verontrustend. Veel mensen hebben écht geen passend antwoord op deze vraag, ook niet na lang nadenken. Soms noemen ze voorbeelden die mensen angst aanjagen, hebben het over science ficiton, beginnen hard te lachen of hebben het over “mensen die alles denken te weten”.

Het concept wetenschap blijkt behoorlijk onbekend. Waarom weten mensen niet eens wat wetenschap is, terwijl ze dagelijks met alle uitkomsten van wetenschap geconfronteerd worden en niet zouden kunnen leven zonder wetenschap? Wie het weet mag het zeggen.


woensdag 24 oktober 2012

Verslag: Discovery Festival Rotterdam

Discovery Festival had dit jaar zowaar drie locaties: Nemo Amsterdam, het Klokgebouw in Eindhoven én het nieuwe onderwijscentrum van het Erasmus MC. Op de laatste locatie was ik één van de zes bloggers die verslag legden voor de EOS iPAD special over Discovery (die vind je hier). 

Discovery Rotterdam vindt, zoals gezegd, plaats in het gloednieuwe onderwijscentrum van het Erasmus MC. De ingang is via het museumpark, om 8 uur nog behoorlijk leeg en donker. In de verte schijnen wat lichtjes, wat daar aangekomen blijkt te komen van een auto met een verlicht brein er bovenop, de BrainCar. Iets verder staat een bol waarop enorme rupsen lijken te lopen. Het effect wordt veroorzaakt door een bak water met kleine rupjes op een overheadprojector, wat schijnend op een wit doek een bijzonder effect geeft. De kaarsjes langs het donkere paadje vervolgend kom je bij de ingang van het onderwijsgebouw. Een mooi welkom op Discovery Rotterdam! 

Eva&Eva kl

Eva Meets Eva
Een groep studenten van de TUDelft maakte eerder dit jaar zorgrobot ‘Eva’. Deze robot moet in de toekomst hulp bieden in de thuiszorg. Eva kan, als je het haar vraagt, flesjes en blikjes drinken voor je halen. Ze heeft een geluidsdetector die je stem registreert, en de Kinect die in de robot zit ingebouwd, kan door het maken van een 3D-scan objecten herkennen: zo kan Eva onderscheid maken tussen een flesje en een blikje. Het onderscheid tussen een blikje cola en een blikje sinas kent ze helaas nog niet – daarvoor zou ze ook uitgerust moeten worden met een kleurendetector.
Misschien een volgend project, zegt één van de studenten enthousiast. Eva werd begin dit jaar gepresenteerd en heeft al flink veel publiciteit gehaald in Nederland. Wegens haar voornaam trok ze mijn interesse, en op Discovery Rotterdam kon ik haar eindelijk de hand schudden. Dat doet ze nog niet zo soepel – mijn hand is blijkbaar groter dan het voorgeprogrammeerde flesje en ze knijpt wel iets té hard. Maar toch leuk kennis te maken, Eva.
Bekijk hier een filmpje van Project Eva
Jongleren is zo geleerd (zegt de neurowetenschap)
Maarten Frens, hoogleraar neurowetenschappen bij ErasmusMC, ken ik nog van mijn promotieonderzoek bij zijn
afdeling. Natuurlijk wil ik wel zien hoe goed hij kan jongleren. Het gaat bij zijn experiment echter niet alleen om jongleren, maar om het aanleren van motorische bewegingen, waar je je hersenen voor nodig hebt. Preciezer: de kleine hersenen, het cerebellum, die verantwoordelijk zijn voor het aanleren van bewegingen. Voor Discovery Festival heeft professor Frens een simpel experimentje opgezet met een stapeltje bekers die je met ballen omver moet gooien. Maar wel met een extra moeilijkheidsgraad: een prismabril die je wereld 30 graden verdraait.
Natuurlijk probeer ik het experiment zelf ook uit. Met de prismabril op wordt de omgeving inderdaad behoorlijk op zijn kop gezet, en is iemand een hand geven een hele kunst. Maar nu het échte experiment:
ballen gooien. Normaal kan ik best aardig gooien, maar met de prismabril gooi ik bijna een halve meter te ver naar rechts. Na ongeveer tien keer gooien leer ik wel wat de afwijking is die de bril veroorzaakt, en kan ik ook een bal raak gooien.
Nu mag de bril af, en moet ik het nog een keer doen. Maar door de prismabril heb ik mezelf onbewust aangeleerd heb hoe ik de afwijking kan corrigeren. En dat moet ik blijkbaar ook weer afleren, dus gooi ik weer een halve meter mis, maar nu de andere kant op. Na een paar keer gooien komt dit ook weer goed, de verandering is gelukkig omkeerbaar.
Wat dit verder met jongleren te maken heeft? Het leren van jongleren, en iedere motorische handeling, gaat eigenlijk op precies dezelfde manier zegt Frens. Je voert een handeling uit, die je vervolgens corrigeert om hem de volgende keer beter te kunnen doen. Zo kun je ‘motorisch leren’ – en dat wordt gereguleerd vanuit het cerebellum. En dat is precies het onderzoek van Frens: hoe werkt dit? Het jongleren slaat aan bij de bezoekers, een handjevol mensen zijn het aan het proberen. Helaas leer je dat iets minder snel dan het corrigeren van een prismabril. Misschien kan Frens daar binnenkort eens onderzoek naar doen?
De ecologische dansvloer
Stroom opwekken door te dansen? Met de ‘sustainable dansvloer’ kan dat. Deze vloer lag eerder in het Rotterdamse poppodium Watt. De dansers wisten daar genoeg energie op te wekken voor de band die op die avond speelde, en vanavond ligt hij in het ErasmusMC. De vloer bestaat uit 8 bij 8 vierkante vloerdelen, die allemaal een beetje meeveren als je er op gaat staan. Ook gaan er lampjes in allerlei kleuren branden en flikkeren. Bij iedere stap die je zet worden een aantal watt gegenereerd. En door hard te springen genereer je meer energie.
Als ik rond 10 uur de dansvloer betreed ligt hij er een beetje verlaten bij en zijn er pas 3.500 calorieën verbrand. Maar door mijn gespring op de vloer, om uit te vinden hoe het werkt, heb ik meer mensen enthousiast gemaakt en enkele minuten laten staan er al 5.400 calorieën op de teller.  Een uur later zijn het er 18.000. Het doel van de avond is om met z’n allen, dansend, 100.000 calorieën te verbranden. Om een idee te geven van hoeveel dat is: 909 glazen bier of 56 kapsalons.
Tegen 01.00 uur komen de 50.000 calorieën in zicht, maar of het doel gehaald wordt, is afhankelijk van het enthousiasme van de bezoekers. Als 40 mensen alleen een beetje heen-en-weer bewegen reageren de vloerdelen nauwelijks en levert dit slechts zo’n 5-6 watt op. Als ze met z’n allen gaan springen, gaat de teller onmiddellijk bóven de 200. Een beetje fanatieker dus, Discovery –bezoekers!
Bekijk hier een filmpje van Dance for Sustainable Energy

-----
Er gebeurde natuurlijk nog veel meer die avond! Lees een ander verslag over Discovery Rotterdam hier, en lees ook verslagen van Discovery Amsterdam (hier en hier) en Eindhoven (hier en hier)

zaterdag 13 oktober 2012

Debatverslag: Zijn wij ons Brein?


Verslag van een driedubbel uitverkocht debat van het ForumDwarsDiep, 9 sept 2012.

Van het boek “Wij zijn ons brein” van emeritus hoogleraar Neurobiologie Dick Swaab zijn inmiddels 350.000 stuks verkocht. Ook andere hersenboeken, zoals “De Vrije Wil Bestaat Niet” van Victor Lamme, doen het goed bij lezend Nederland. In de lijn van dit succes was ook het debat “Zijn wij ons brein”, waarin Swaab in discussie gaat met Herman van Praag (emeritus hoogleraar Psychiatrie), Marc Slors (hoogleraar Cognitiefilosofie) en Asha ten Broeke (Trouw-wetenschapsjournalist) binnen drie weken uitverkocht, en ook de live-stream in een van de andere zalen van ForumImages was volgereserveerd.

Hersenwetenschappen: deterministisch of de belofte van maakbaarheid
Debatleider Hans Harbers opent de avond met de vraag waarom men massaal boeken over hersenwetenschappen koopt. Is het het spannende van in de schedel kijken? Zijn het de beloftes van de neurowetenschappen om hersenziektes te kunnen genezen? Is het omdat de boeken (deels) beangstigend zijn? Hersenboeken doen claims die verder gaan dan een correlatie tussen een beweging van de voet en activiteit in de hersenen. Alleen al de titel, “Wij zijn ons brein” is een dergelijke claim. Waar blijft de geest dan, het onderbewuste? Zijn wij dan ook ons lichaam? En wat als de vrije wil niet bestaat, kan de mens dan wel verantwoordelijkheden nemen? Is dit niet te deterministitsch? Maar de successen van de hersenwetenschappen beloven juist maakbaarheid: het ingrijpen in de hersenen om ziektes draagbaarder te maken. Deze vragen zullen tijdens de avond aan bod komen.

Swaab: waarom wij ons brein zijn
Dick Swaab komt als eerste aan het woord. Terwijl neurobiologen vroeger zochten naar afwijkingen in de hersenen, zegt hij, wordt de neurobiologie steeds meer een zoektocht naar onszelf. En dat interesseert de mens. Ook daarom zijn hersenwetenschappen zo “in”.
Swaab geeft, net als in zijn boek, voorbeelden waarmee hij zijn stelling dat wij ons brein zijn onderstreept. Door amputeren of transplanteren van ledematen of organen, zegt hij, verandert een mens niet. Swaab verklaart dit door hersenveranderingen tijdens de ontwikkeling, in de baarmoeder. Tot het vierde levensjaar vindt er volop hersenontwikkeling plaatsvindt, maar daarmee moeten we het doen voor de rest van ons leven. Veel aspecten van het menselijk gedrag worden al vroeg in de baarmoeder vastgelegd: zoals gender-identiteit, seksuele oriëntatie, aanleg voor anti-sociaal gedrag, aanleg voor schizofrenie, depressies en verslaving. De opvoeding heeft daar slechts geringe invloed op. Ook spiritualiteit, de aanleg voor religiositeit, is grotendeels genetisch bepaald. Religieuze ervaringen kunnen worden opgewekt door elektrische stimulaties, maar ook door ziektes als epileptische aanvallen en hersentumoren. Bepaalde religieuze ervaringen uit de Bijbel, zoals Paulus die door te bidden weer kon zien nadat hij blind was geworden, kunnen uit de hersenwetenschap verklaard worden. Paulus had waarschijnlijk een epileptische aanval waardoor hij – slechts tijdelijk - blind werd. Dergelijke ervaringen ontstaan ook als de hersenen te weinig prikkels ontvangen. Bij een zeeman die wekenlang alleen water en een horizon ziet, gaan de hersens op een bepaald moment het gebrek aan beelden invullen waardoor hallucinaties ontstaan. En zo zijn er meer voorbeelden.

Religie en het brein
Religie is een van de punten waarop atheïst Swaab veel wordt aangevallen. Zijn opponent Van Praag noemde Swaab abnormaal door zijn atheïsme. Ook kreeg Swaab een boek retour, waarin stond: “Geachte heer Swaab, hierbij een gedeelte van uw boek retour, de rest is door de schredder, jammer van het geld, had ik beter aan Leger des Heils kunnen geven.” Uit het publiek heeft zeventig procent het boek van Swaab gekocht, vijftig procent zegt het ook helemaal gelezen te hebben – wat debatleider Harbers meevalt, aangezien populaire boeken vaak wél gekocht maar niet gelezen worden.
Swaab illustreert met getallen dat hij als atheïst niet abnormaal is. In Nederland gelooft 24% van de mensen in God (in de VS 95%), maar 44% van de hoogleraren is atheïst. Verder: minder dan 1% van de Nobelprijswinnaars is gelovig. Swaab ziet hierin een negatieve correlatie tussen religie en intelligentie. Maar aangezien er zoveel mensen religieus zijn moet er evolutionair voordeel aan zitten. Volgens Swaab zou religie nu geen evolutionair voordeel meer hebben. Daarmee sluit hij zijn verhaal af.

Van Praag: “God maakte Adam uit stof en blies hem levensadem in de neus”
Herman van Praag is een van de grootste criticasters van Swaab. Hij begint zijn betoog met een samenvatting van het neuraal determinisme, waar Swaab aanhanger van is. Dit stelt dat alles wat een mens een mens maakt bepaald zou zijn door de hersenen en vertaalbaar zou zijn naar hersenfuncties. De geest is hierbij een overbodig construct.
In Genesis stond “want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”, maar met daarna  “God maakte Adam uit stof en blies hem levensadem in de neus”. Gods adem was nodig om de materie, stof, tot mens te maken. Dat is de visie van Van Praag, haaks op het neuraal determinisme: “We zijn er dankzij ons brein, maar wij zijn niet ons brein. Wij zijn onze geest, die is onze eigenheid, identiteit, authenticiteit. Het is wat voor mens u bent, welke ambities, verwachtingen en hoop u heeft. Dat maakt u uniek. En dát vindt u niet terug in de hersenen.”
Het determinisme zegt dat de mens slechts beschikt over een kleine eigen wil, en onze hersenen autonoom regeren, waardoor de mens beperkt verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn daden. Volgens Swaab zijn we voorgeprogrammeerd, wat hij in zijn boek met experimenten geïllustreerd heeft. Zoals een persoon, bij wie al voor hijzelf meent een beslissing te hebben genomen, verandering te registreren zijn in de hersenen. “We denken dat we zelf beslissen maar ons brein heeft allang besloten”, aldus Swaab.
Van Praag is het hier niet mee eens. Ten eerste denkt hij dat de hersenen maar voor een deel zijn voorgeprogrammeerd, dat het programmeren het hele leven doorgaat; door leren, afleren, veranderingen van karakter. Ten tweede vindt hij de conclusies uit die experimenten prematuur. “Aan alle beslissingen gaan deliberaties vooraf. Als u koffie krijgt aangeboden kunt u denken: ik heb wel trek in koffie, maar heb al veel koffie gehad, dus zeg ik nee. Dát is die hersenactiviteit die voorafgaat aan een beslissing die gemeten wordt. Maar u neemt die beslissing.” Ten derde is hij het niet eens met de stelling dat religiositeit een staat van het brein is. De behoefte aan religie ligt op psychologisch niveau – God heeft voor een religieus mens belangrijke functies: die is een zinnebeeld van creativiteit en moraliteit en een toetssteen voor het eigen gedrag. Zonder hersenen zou dit niet bestaan, maar de hersenen blijven intermediair tussen de religieuze behoefte en de bevrediging daarvan.

Religie als een moral holiday
Van Praag komt Swaab op één punt tegemoet: hij noemde atheïsme abnormaal , en geen afwijking, en bedoelt daarmee “anders dan het normgedrag”. Volgens Van Praag is het in intellectuele kringen “not done” om uit te komen voor je religie, men schaamt zich ervoor, en is dit een verklaring waarom weinig hoogleraren zeggen religieus te zijn. De Amerikaanse filosoof William James, aangehaald door Harbers, staat veel toleranter tegenover religie dan Swaab. Volgens deze filosoof gebruiken veel mensen God als een vorm van “moral holiday”, waardoor ze zelf even niet meer na te hoeven denken.

Zijn wij ons brein – is dat een issue?
De derde spreker is filosoof Marc Slors. Zal hij een middenpositie tussen de twee innemen? Zelf heeft Slors geen probleem met de titel “Wij zijn ons brein” – dit is volgens hem een non-issue – als Swaab zegt dat de geest geproduceerd wordt door de hersens, houdt dat niet in dat de geest gereduceerd kan worden tot de hersenen.
Volgens Slors houdt vrije wil in dat we opties hebben om uit te kiezen, en dat als we een keuze maken het onze eigen keuze is, niet een die gemaakt wordt door externe factoren of interne pathologie. Hersenwetenschappen gaan over de onbewuste hersenprocessen en de genen die de keuzes beïnvloeden.
Slors denkt dat de gedachte dat wij ons bewustzijn zijn een overtheoretisering is van onszelf. Onze dagelijkse handelingen komen niet voort uit allemaal bewuste processen, maar vanuit de “kwebbeldoos” die Lamme beschreef (“the interpreter”). Wij proberen de hele dag chocola te maken van wie we zijn. Als in je genen vastligt van welke muziek je houdt, is dat van jou. “Ik ben mijn brein” houdt in dat ook alle onbewuste dingen die ik doe van mij zijn.

De evolutionaire voordelen van religie
Na de drie sprekers begint de discussie met Swaab die blij is slechts “abnormaal” genoemd te zijn door Van Praag. Religie is een interessante illustratie van het “wij-zijn-ons-brein”- en het “vrije-wil”-idee, vervolgt Harbers. Religie heeft evolutionaire voordelen - gehad, voegt Swaab toe. Maar hoe kan Swaab denken dat religie voorgeprogrammeerd is, terwijl hij ook een pleidooi geeft om ermee te stoppen? Swaab vergelijkt dit met agressie: dit had een evolutionair voordeel, maar nu niet meer, dus er is ruimte om eraf te stappen. Van Praag denkt dat religie bij de moderne mens uit vrije wil komt. Maar hoe verklaart Swaab dan uit evolutionair perspectief de niet-gelovigheid van hoogleraren? Swaab herhaalt zijn eerdere visie, van een gedeeltelijk genetische spiritualiteit die wordt ingevuld afhankelijk van de omgeving waarin men opgroeit. Zonder sociale druk om spiritualiteit te beleven, gaan mensen ontkerkelijken. Hoogleraren hebben volgens Swaab die context wel, maar die aanleg niet.
Slors luistert toe en verklaart dat hij eigenlijk geen tegenstelling tussen de twee ziet. Hij hoort de heren hetzelfde proces beschrijven, Van Praag van binnenuit en Swaab van buitenaf. Swaab wil zich afhouden van het idee dat religiositeit nodig is voor creativiteit en moraliteit, net als zingeving, want dan kan ook als atheïst. De basis van moreel gedrag vinden we al bij apen en dat moet de religie niet claimen.
Aangezien het debat mede georganiseerd wordt door het Kerkelijk Oecomenisch Overleg Zuid-Groningen vraagt Harbers de zaal wie er gelovig is. Dat zijn slechts een handjevol mensen, en niemand wil verdedigen dat zonder religie het leven zinloos is. Dat zou Swaab gelijk geven, maar Van Praag bedoelde dat bij gelovigen God een toetssteen voor gedrag is, maar niet de enige bron van moraliteit, zingeving en creativiteit. Slors is het eens met Swaab, in dat moraliteit er eerst is en religie dit kan articuleren.
Maar – zijn wij ons brein nu wel of niet?
Terug naar de titel, “wij zijn ons brein” - hoe controversieel is dat eigenlijk? Slors herhaalt dat dit wel meevallt. Hersenen zijn heel erg belangrijk, maar de filosoof verbaast zich over de controverse over iets dat niet echt een punt is. Harbers vindt de stelling veel te reductionistisch – als ik mijn brein ben, zegt hij, en ik kan fietsen, kan mijn brein dan fietsen? Natuurlijk niet, maar een hersencel kan wel beslissingen maken, antwoordt Swaab. Volgens Van Praag zijn neurobiologie en psychologie heel aparte vakgebeiden en lopen we voorbij aan het kernmysterie: wie is die ik? Die hersenen? De homunculus? Die hebben we nooit gevonden, en ook dit blijft een mysterie, denkt Van Praag. Maar volgens Swaab is er wel degelijk veel te zeggen over zelfbewustzijn, wat een dynamisch proces vanuit onze zintuigen is, en een interactie met de omgeving die wordt geïntegreerd in de hersenen. Hij denkt dat de neurowetenschappen het mysterie wel kunnen oplossen.

De roodkeelsialia en de omgeving
Bijna een halfuur te laat start Asha ten Broeke haar column. Zij is het niet eens Swaabs claim dat seksuele geaardheid en mannelijk/vrouwelijkheid  al in de baarmoeder vastgeled is. Aan de hand van een vogeltje, de roodkeelsialia (met blauwe veren) demonstreert ze hoe de omgeving gedrag bepaalt. “Normaal ruilen de mannetjessialia’s nestplekken voor seks, waarbij er ook mannetjes zonder nest overblijven. Sommige mensen vonden dat zielig en maakten nestkastjes, waardoor de vrouwtjes vervolgens meer eisen gingen stellen, en ze alleen de beste vaders als partners wilden. Dit gooide de hele vogelpopulatie omver.”
Ze gebruikt dit voorbeeld om te illustreren dat de omgeving bepaalt wie we zijn. Echter, volgens Swaab spelen meisjes met poppen om hen op latere leeftijd voor te bereiden op het leven. Swaab illustreerde dit in zijn boek met een experiment met aapjes die jongens-en meisjesspeelgoed kregen, waarvan de conclusie Swaabs stelling onderschrijft. Die studie is volgens Ten Broeke behoorlijk slecht uitgevoerd; een speelgoedpannetje werd bijvoorbeeld ingedeeld bij meisjesspeelgoed, maar waarom zou dat zo zijn voor een aap?
Homoseksualiteit en genderrolverdeling zijn ook niet overal hetzelfde. Er zijn volkeren waarbij vrouwen jagen en mannen op kinderen passen, en volken waarbij pubervrouwen vissen en puberjongens op de kleine zusjes passen. Volgens weer een ander volk is seks is niet gekoppeld aan genot, maar puur nuttig voor voortplanting.
Westerse onderzoekers zijn hersentechnisch de uitzondering volgens Ten Broeke, en aangezien bijna alle kennis over ons brein voortkomt uit onderzoek met blanke, westerse, hoogopgeleide proefpersonen (psychologiestudenten) worden die effecten enorm overschat. Wij zijn dan misschien ons brein, concludeert ze, maar ons brein is een cultureel orgaan. Het is geen nature, maar nurture. Niet de biologie, maar de omgeving die ons gedrag bepaalt.

“De tegenstelling nature/nurture is achterhaald”
Swaab vindt de tegenstelling nature/nurture behoorlijk achterhaald. Volgens hem vindt de ontwikkeling van het brein plaats door zowel genetische achtergrond en omgeving, en die interactie is cruciaal. Hij geeft voorbeelden van mensen die van sekse zijn veranderd, hoe door een mislukte operatie en vervolgens een penisamputatie een jongen een meisje werd gemaakt, maar geen enkele psychologische hulp en hormoontherapie konden van deze jongen een vrouw maken. Ten Broeke heeft een ander voorbeeld, maar volgens Swaab zijn er slechts vier gevalsbeschrijvingen, waarvan er drie zijn mislukt en één persoon biseksueel is geworden.
Harbers brengt de discussie terug op het punt: is brein versus geest gekoppeld aan noodzaak versus vrije wil, en aan nature versus nurture? Van Praag ziet een medestander in Ten Broeke, in zijn idee dat de interactie tussen gen en omgeving niet ophoudt na het eerste levensjaar. Slors denkt dat dit misschien weer hetzelfde is als die kwebbeldoos, want veel van wat we doen, doen we onbewust. Maar of we daarmee onszelf veranderen - daar moeten we onderzoek naar doen.

Aangeboren criminaliteit
Een vraag uit de zaal gaat over criminaliteit: als de meeste eigenschappen al vastgelegd worden, is dat dan ook zo met criminele eigenschappen (liefde voor afwijken van de regels), en hoe zit het dan met straffen? Swaab antwoordt dat de maatschappij regels nodig heeft. Slaan, wat apen doen, hebben wij uitbesteed aan justitie. Een reden om mensen te straffen is de hoop om gedrag te veranderen. Maar nu zitten in de gevangenis negentig procent psychiatrische patiënten die je eigenlijk moet behandelen in plaats van straffen. Ook de combinatie TBS en straf vindt Swaab raar, omdat eerst de straf wordt gegeven en dan pas de behandeling, terwijl je als pyschiatrisch patiënt niet (compleet) verantwoordelijk gesteld kan worden voor je daden. Er is volgens hem onderscheid tussen karakter en gedrag. Gedrag kun je veranderen, maar karakter niet. En dat is het probleem met schizofrenie of borderline – dat veranderen is moeilijk.
Uit de zaal komt de opmerking dat psychiatrische ziektebeelden wel erg normatief zijn. Homoseksualiteit was vroeger ook een afwijking. Wat is dan het verschil tussen psychiatrische waanbeelden en religieuze ervaringen? Van Praag reageert hierop - je kunt je inderdaad afvragen of Breivik een waan had, zegt hij. Een wereld die niet zintuiglijk waarneembaar is, zoals bij wanen, wordt pas storend als het problemen kan opleveren voor het individu of de omgeving.
Terug naar een van de kernvragen van het debat: waarom koppelt Swaab hersenonderzoek zo aan kritiek op de maakbaarheidsgedachte, en waarom koppelt Van Praag hersenonderzoek zo aan een pessimistische gedachte? Volgens Swaab had het maakbaarheidsgeloof van de jaren zestig en zeventig voordelen: iedereen kon naar de universiteit als je je best maar deed,  maar als er iets misging was de moeder altijd de schuldige. Autisme, schizofrenie, homoseksualiteit: het kwam allemaal door de moeder. Het belang van de omgeving werd enorm overschat, en hij heeft kritiek op díe maakbaarheid, niet op de maakbaarheid van het oplossen van ziektes door hersenwetenschappen. Van Praag zegt dat hersenwetenschappen inderdaad veelbelovend zijn. Voor hem houdt maakbaarheid in dat de mens er iets van kan maken in zijn leven. Waarbij de omgeving buitengewoon belangrijk is.

Uit vrije wil
Het is al ruim over tienen, en Swaab krijgt nog een laatste vraag van Harbers: hij is actief in een club voor euthanasie, en die club heet... Uit Vrije Wil, terwijl hij zelf zegt dat de vrije wil niet bestaat. Swaabs tegenwoord is dat hij al lid van de club was voordat de naam bestond, en hij in het buitenland was toen de naam werd verzonnen. Om geen spelbreker te willen zijn heeft hij er erbij gelaten. De keuze om je eigen levenseinde door te maken is erg bepaald door de omstandigheden, er zijn weinig vrijheden, maar de mogelijkheden moeten er wel zijn. En zo eindigt het debat waarvan de sprekers het nooit met elkaar eens zullen worden.

donderdag 11 oktober 2012

De Academische Jaarprijs. Een leuke wedstrijd, maar het kan wel beter....

De strijd om de Academische Jaarprijs is in volle gang. Het is jammer dat jonge onderzoekers geen kans maken,  alleen de toppers. Vindt oud-deelnemer Eva Teuling.
Over enkele weken is de finale van de Academische Jaarprijs 2012 – een wedstrijd voor de “beste vertaling van wetenschappelijk onderzoek naar een groot publiek”. In deze zesde editie zitten twee teams van de RUG in de finale. Groningen kende eerder twee succesvolle teams. In 2008 was het team van Sterrenkundige Peter Barthel de winnaar met “Ontdek het onzichtbare heelal”, in 2010 grepen de Genenkrakersnét naast de felbegeerde hoofdprijs.
De Academische Jaarprijs is een goede stimulans om onderzoeksgroepen met creatieve plannen een kans te geven een communicatie-project op te zetten. Maar het kan beter. Meer ruimte voor jonge onderzoekers en bredere media-aandacht kunnen van de Academische Jaarprijs écht een breed gedragen wetenschapsprijs maken.
Tot nu toe wordt voornamelijk geselecteerd op de wetenschappelijke kwaliteit van de onderzoeksgroep. Natuurlijk is het goed om topwetenschap te communiceren, maar de focus hierop leverde veel kritiek op van de universiteiten. De organisatie heeft de structuur van de prijs enigszins veranderd, maar nog steeds is topwetenschap een belangrijk selectiecriterium. Een jonge onderzoeksgroep die een leuk plan wil indienen maakt weinig kans. Slechts gevestigde onderzoekers komen door de eerste ronde.
De projecten die de finale halen zien er altijd professioneel uit. De meeste plannen worden niet in de doorlooptijd van de Academische Jaarprijs, een dik half jaar, uitgewerkt; veel teams zijn al eerder bezig met het uitwerken en soms al uitvoeren van hun plannen. Vaak nemen ze (communicatie)bureaus in de arm of krijgen ze steun van de communicatieafdeling van hun universiteit. Want, hoe professioneler een plan oogt, hoe groter de kans om de felbegeerde finale te halen, zeggen winnaars van de prijs desgevraagd.
Het winnen van de Academische Jaarprijs is niet iets wat je er als onderzoeksgroep even bij doet. Verschillende onderzoekers geven aan dat ze bijna een jaar geen onderzoek hebben kunnen doen. Veel teams nemen een projectcoördinator aan die ze het regelwerk en de contacten met de pers uit handen neemt, maar dan nog hebben de wetenschappers het razend druk. Vaak moet er ook geld bij om alles uit te kunnen voeren. Teams vinden externe geldschieters, vaak al voordat ze gewonnen hebben, en veel universiteiten verdubbelen de prijs van hun team.
De professionalisering van de prijs is een waarborg voor kwaliteit gebleken. Maar tegelijkertijd haalt een onderzoeksgroep de finale niet zonder een waslijst aan toppublicaties, een groot team met veel studenten, veel connecties en de financiële ruimte om een projectleider aan te nemen, waardoor de Academische Jaarprijs een soort wedstrijd tussen topwetenschappers wordt. Dat is jammer, want ook de “gewone” wetenschap is mooi om te communiceren.
Verder zou de prijs gebaat zijn bij meer openheid. Hoeveel geld de teams besteden is onduidelijk, ook bij de organisatie. Wat nu eigenlijk een “succesvol plan” is, wordt nergens gedefinieerd. Ook weet de organisatie niet hoeveel mensen bereikt worden, en hoeveel mankracht nodig is voor uitvoering van een project. Winnende teams hoeven geen verantwoording af te leggen over het geld en het succes van hun project.
Tenslotte. Er moet meer media-aandacht komen. De media-partners van de Academische Jaarprijs, VPRO en NRC, hebben een achterban die vaak al intrinsiek geïnteresseerd is in wetenschap. Het zou juist goed zijn als de organisatie zich meer zou richten op het échte grote publiek.
Eva Teuling (met dank aan Peter Barthel)




woensdag 10 oktober 2012

Night of the Nerds 2012


De Night of the Nerds, een festival over techniek en gadgets voor jongeren, vond zaterdag 6 oktober plaats in NEMO. Ik heb voor de website berichten over de verschillende programma-onderdelen geschreven (bekijk het programma op de website)  en was op de Night zélf ook aanwezig als reporter. Heb je het gemist? In april heb je nog een kans voor een cool festival: Nerds on Stage, in de Rotterdamse Schouwburg.

Als een echte nerd bestuurde ik een robot, at sprinkhanen, zag door de ogen van een helikopter en interviewde de grootste Nerds van deze avond. Lees hieronder mijn verslag. 

Kruip in de huid van een Nao-robot

Het Dutch Nao Team had een aantal Nao-robots meegenomen naar Nemo. Deze Nao’s waren zodanig geprogrammeerd, dat je ze als bezoeker zelf kon besturen. Met een Kinect volgden de handjes van de Nao jouw armbewegingen, en kon je proberen de robot een blok op te laten pakken, en ergens anders weer neer te laten zetten. Dat klinkt een stuk makkelijker dan het in werkelijkheid was.

De armen reageerden niet altijd even soepel op mijn bewegingen, en omdat één van de leden van het team het lichaam bestuurde, ging de robot soms te ver naar voren, waardoor de robot de blokken steeds omgooide. Uiteindelijk is het dan toch gelukt en kan ik ook trots zeggen dat ik een Nao-robot heb bestuurd. Met blokken spelen voor gevorderden.

Hightech food

De Food and Jazz DJ’s hadden op het bovendek een mooi plantentuintje uitgestald, met allerlei eetbare bloemen en kruiden. Ook de gevriesdroogde sprinkhanen en meelwormen vonden weer gretig aftrek. Natuurlijk moest ik al die exotische hapjes ook even proeven.

Ook hadden ze speciale Chinese bloemetjes zie je mond laten schuimen en je smaken neutraliseren, volgens de dame achter de bar. De smaakexplosie van de bloemetjes werd nog eens versterkt door de pompoeuze muziek door de koptelefoon, die ik gelijktijdig te horen kreeg. Misschien was het door de dubbele zintuiglijke stimulatie dat ik na afloop even een luchtje moest scheppen op het bovendek. Ik geef toch de voorkeur aan een knapperige sprinkhaan.



Hightech mode 

De prachtige gouden outfit met ritsen waarin Beorn Lebenstadt rondliep door Nemo was me al eerder op de avond opgevallen. Op het bovendek van Nemo kwam ik hem weer tegen, en bleek de kleding veel meer te zijn dan het in eerste instantie leek. De vriendin van Beorn (mode-ontwerpster Maartje Dijkstra) had het high-fashion kledingstuk ontworpen, waardoor het niet zo misstaan op de catwalk.

Maar de vele ritsen waren meer dan alleen decoratief – ze werkten ook om de DJ-set van Beorn te bedienen. Door de ritsen open en dicht te doen, kon hij de sliders van de DJ-software op zijn computer besturen. Onder de risten liepen kleine stroompjes, waarvan de grootte kon worden aangepast door de positie van de rits. Zo kan Beorn muziek maken met zijn kleding. Echte high-tech high-fashion!


Bij Nerds on Stage  in Rotterdam, geeft Beorn een DJ-performance met zijn kleding. Komt dat zien!





Zien wat een drone-helikopter ziet 

Vlak bij de ingang staat een jongen met een mooie drone-helikopter. Iedereen heeft ze al wel eens gezien, maar heb je wel eens gezien wat zo’n drone nu zelf ziet? Ik niet, en dat kan hier met een Virtual-Reality bril, die je laat kijken door de camera die op de helikopter gemonteerd zit.

Dat blijkt heel raar te zijn. Eerst lijkt het even alsof je gewoon televisie kijkt door een bril, maar als de drone werkelijk opstijgt, zie je ineens de wereld van boven, terwijl je nog geen centimeter bewogen hebt. De drone draait vervolgens, waardoor je jezelf in beeld ziet.

Het beeld dat je met je ogen zien verandert, zonder dat je beweegt, en omgekeerd, als je je hoofd beweegt verandert het beeld niet mee. Hierdoor raakt je evenwichtsorgaan enigszins in de war, waardoor al veel bezoekers duizelig of misselijk geworden zijn, volgens de begeleider van het project. Zo ook ik – enigszins dizzy zet ik de bril weer af, een leuke experience. 


De Nerd-quiz 

Driemaal werd hij gepresenteerd: de Ultieme Nerd-Quiz, gepresenteerd door quizmaster Philip Dröge van de populair-wetenschappelijk website Faqt.nl. Wie weet het meeste en wordt de winnaar van de quiz?

De winnaars van de avond zijn Sander uit Grooteboek (hij zit in 5VWO), Laura uit Zaandijk (ze zit in 6VWO) en Nils (6 VWO). Waarom zij denken nerds te zijn (of juist niet)? Bekijk de korte interviews met de winnaars in deze filmpjes: