zaterdag 25 september 2010

Eindelijk zo oud als Methusalem?

Volgens de Bijbel (Genesis 5:27) werd Methusalem maar liefst 969 jaar oud. Ook zijn familieleden bereikten astronomisch hoge leeftijden: zijn vader werd 365 jaar oud en zijn zoon zou het 777 jaar hebben volgehouden. Nu de medische wetenschap steeds beter wordt, en ziektes waar men vroeger aan dood ging met een bezoekje aan de huisarts kunnen worden verholpen wordt de vraag of mensen echt zo oud kunnen worden steeds relevanter. Wat bepaalt eigenlijk hoe oud iemand kan worden? Is er een magisch recept? Of zit het allemaal in je genen?


Methusalem-genen?
Net als bij Methusalem zit hoge leeftijd vaak in de familie. Dit wijst op een erfelijke aanleg voor ouderdom, maar een “gen voor ouderdom” is nog niet gevonden. Onderzoekers zijn al decennia lang bezig om uit te vinden welke genen levensduur kunnen beïnvloeden. De eerste aanwijzingen voor een genetische basis van ouderdom kwamen van studies met een klein wormpje, Ceanorhabditis elegans. In 1988 werd gepubliceerd dat een mutatie in een gen, later age-1 genoemd, de levensduur van de worm tot wel tweemaal kon verlengen. De zoektocht hield echter niet op bij de worm.

GWAS en SNP-chips
Wat is toch het geheim waardoor sommige mensen meer dan 100 jaar oud kunnen worden, en daarbij nog gezond kunnen blijven ook? Door de recente ontwikkelingen op het gebied van de genetica wordt het steeds makkelijker om bij grote groepen mensen naar kleine variaties in erfelijke informatie te zoeken (zogenaamde genome-wide-association-studies – kortaf: GWAS). Voor het vergelijken van het DNA worden zogenaamde SNP-chips gebruikt: microchips waarop heel veel 1-letter-DNA-variaties (SNP’s) “gespot” zijn. Hierop kunnen DNA-samples aangebracht worden en gekeken worden welke 1-letter variaties in een specifieke groep mensen voorkomen. Wetenschappers uit Boston gebruikten SNP-chips van het bedrijf Illumina om DNA van een groep “centenarians” (100-jarigen) te vergelijken met “gewone mensen”. Ze vonden maar liefst 150 DNA-variaties die geassocieerd konden worden met een hoge leeftijd, en op basis van deze variaties was het mogelijk om met 77% nauwkeurigheid te voorspellen of iemand de 100 zou halen. Een werkelijk ongeëvenaarde doorbraak in het onderzoek naar ouderdomsgenen! Deze studie werd dan ook versneld gepubliceerd in het toonaangevende tijdschrift Science. Science organiseerde een persconferentie en veel gewone media berichtte over deze nieuwe ontdekking.

Kritiek
Maar het leek te mooi om waar te zijn. De dagen daarop stonden wetenschapsblogs vol met kritiek op het artikel, het bleek namelijk dat de onderzoekers verschillende typen DNA-chips hadden gebruikt voor hun studie. Van één daarvan (de Illumina 610-chip) was bekend dat een aantal “spots” niet goed zijn en juist deze werden geassocieerd met ouderdom! Er was veel kritiek op Science: het was ongepast dat een artikel met zulke fouten in zo’n toonaangevend tijdschrift gepubliceerd kon worden! Waarom hebben de reviewers deze fout niet eerder opgemerkt? Topbladen moesten maar eens ophouden met sexy wetenschap te willen publiceren ten koste van kwaliteit! (zie bijvoorbeeld dit artikel) – het hele onderzoeksveld stortte zijn gal uit over deze grote fout van Science. Ook op de onderzoekers was veel kritiek – hoe hadden ze zo dom kunnen zijn! Maar hun resultaten waren al eerder gepresenteerd op internationale congressen, en toen had niemand het gebruik van de Illumina-610-chips opgemerkt. Terwijl andere aspecten van het artikel, zoals de statistische analyses, zeer robuust en goed gecontroleerd waren, leken de onderzoekers echt niet op de hoogte van de fouten op de Illumina-610 chips en had ook niemand ze erop gewezen.

Sexy wetenschap
Het is het onderwerp dat ervoor gezorgd heeft dat het artikel zo snel, inclusief fouten in het tijdschrift is verschenen. Ook de wetenschap is modegevoelig en op dit moment is veroudering “hip” en “sexy”. Maar zijn de resultaten dan helemaal niet waar? Dat lijkt erg ongeloofwaardig, denken de onderzoekers. Momenteel zijn ze bezig om een deel van de DNA-monsters opnieuw te vergelijken op andere chips en de gegevens opnieuw te analyseren, waarbij ze niet uitsluiten dat de conclusies van het onderzoek enigszins kunnen veranderen. Maar veel willen ze er niet over zeggen, geschrokken als ze zijn over de golf van kritiek die via de media over ze heen is gekomen.

Ook reviewers van een van de beste wetenschappelijke tijdschriften kunnen dus een fout door de vingers zien, maar in het geval van Science leidde dit tot een heuse media-rel. Gelukkig kunnen we hieruit concluderen dat de wetenschap zichzelf weet te controleren, doordat er genoeg onderzoekers zijn die een artikel gedetailleerd lezen. Hopelijk zullen de conclusies van het onderzoek niet veel veranderen en kunnen we alsnog op zoek naar de eeuwige jeugd met behulp van de Methusalem-genen.

Dit stuk verscheen eerder op wetenschapsblog Sciencepalooza en op de opiniepagina van de Volkskrantsite

woensdag 15 september 2010

Dans! En ik vertel u hoe gezond u bent…

Bij veel diersoorten, zoals bepaalde vogels, is een “dans” onderdeel van het paringsritueel. Mannetjes proberen vrouwtjes te imponeren met hun dans; vrouwtjes op hun beurt kunnen aan de dans van het mannetje veel aflezen over zijn gezondheid, kortom, of het wel een geschikte partner is. Wie zich wel eens in de vroege uurtjes in een uitgaansgelegendheid bevindt zal het niet ontgaan dat ook mensen met dansbewegingen proberen indruk te maken op het andere geslacht. Maar heeft dansen dan ook invloed op de partnerkeuze bij mensen? Dat lijkt moeilijk te bepalen omdat ook uiterlijk een belangrijke rol speelt, en dat moeilijk los is te zien van een dansend persoon. Door computer-trucjes kunnen onderzoekers nu deze twee aspecten loskoppelen.

Dansende avatars
Om dansbewegingen beter in kaart te brengen lieten Britse en Duitse onderzoekers van Northumbria University (UK) mannen dansen voor 12 camera’s (zie hier voor het onderzoek in Biology Letters). Vervolgens maakten ze een “avatar” van de dansbewegingen, waarbij de bewegingen goed te zien waren, maar niet het uiterlijk van de proefpersoon. Bekijk ook de filmpjes van de avatars: goede dansers versus slechte dansers. Hierna lieten ze vrouwen de verschillende filmpjes beoordelen. Alhoewel alle dansende mannen amateurs waren, bleek er een groot verschil te zijn in de beoordeling van de dansvormen. Figuren die veel met hun romp, nek en hoofd bewogen, haalden hogere scores dan de avatars die alleen met hun armen en benen bewogen. De onderzoekers suggereren dat het maken van complexe bewegingen een teken is van goede conditie en gezondheid. Daardoor zouden vrouwen deze dansbewegingen als “beter” aanmerken en de bijbehorende mannen ook aantrekkelijker vinden.

Symmetrie
De rol van dansen bij partnerkeuze is al vaker onderzocht. Zo verscheen er in 2005 een artikel in Nature waarbij Amerikaanse onderzoekers mannen en vrouwen uit Jamaica lieten dansen voor een camera en van hun bewegingen ook een animatie maakten (zie hier). Mannelijke en vrouwelijke proefpersonen moesten vervolgens de danskwaliteiten beoordelen. Van de dansende proefpersonen was al eerder bepaald hoe ‘symmetrisch’ zij waren. Het bleek dat er een sterk verband was tussen iemands (eerder bepaalde) symmetrie en zijn danskwaliteiten. Bij veel diersoorten is symmetrie gekoppeld aan een gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur (zie bijvoorbeeld hier). Symmetrie, vooral van het gezicht, is daardoor een heel belangrijk selectiecriterium bij de partnerkeuze.

Kort door de bocht gezegd: hoe gezonder een man is, hoe symmetrischer hij is en hoe beter hij kan dansen. Zo simpel ligt het natuurlijk niet, maar misschien is het vinden van de geschikte partner in een discotheek toch helemaal niet zo’n slecht idee. Wat danslessen hieraan bij kunnen dragen is nog niet onderzocht. 

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op wetenschapsblog Sciencepalooza

vrijdag 10 september 2010

The Academische Jaarprijs - continued



In May, I wrote about how our team, the Genenkrakers (gene code breakers), got selected for the finals of the Academische Jaarprijs. What this would mean for my activities was not really clear to me at that point, but now, after having submitted the full proposal, I know it involves being organizer, bartender, entertainer, actor, movie director, and much more. So what have we been doing over the past few months? Well, a lot! This year, at Noorderzon, a new building full of science appeared in between the music stands, theatres, arts, food, wine and beer. (Noorderzon is a yearly performing arts festival held in Groningen.) Our team for the Academische Jaarprijs was asked to participate in this new Science Center, called Cu3. After some brainstorming, we came up with the idea of a “DNA bar”: serious science with a hint of the main activities of the festival’s visitors.

At this bar, we sold DNA necklaces: visitors were given a cotton swab and asked to take some saliva from their inner cheek, we isolated their DNA and put it in a capsule that could be hung on a necklace. The Cu3 was a big success (it had more than 5000 visitors over 10 days), and our DNA bar was an excellent idea – we sold over 1100 DNA necklaces! Who would ever have expected such a success! Isolating 1150 DNA samples is a lot of work, so we asked for help from our colleagues in the Department of Genetics.


Without any trouble we got over 40 volunteers to work behind the bar for an afternoon or evening. For me, it involved organizing the bar schedule, supervising the shifts, and keeping track of the stocks in the bar. In addition, I did a number of shifts myself, explaining to visitors why we were doing this, persuading them to have their DNA isolated, and helping in the isolation process. I also got to know the other members of the Qu3 – all people who, next to their regular jobs as a teacher, scientist, artist or student, had volunteered to work long evenings in this Science Center at an arts festival… Those were 10 long days, but it was great fun.
When Noorderzon was over, there was no time to recover as our team had to have their TV pitch filmed. Our plan was to act a short interview, explaining the metaphor between DNA and the railway, and for this interview we needed trains. The NS (Dutch railways) has a conference center in Utrecht, where there are simulated trains available for certain purposes. So, accompanied by a photographer and a camera women, we all traveled to Utrecht, where it took us almost the whole day to record a 3-minute movie, not including the time we had spent writing the script and designing the animations that are part of the movie.

This project is really giving me opportunities to see a whole different side of science. Working in the Science Center gave me an incredible amount of energy and enthusiasm. I think I found out the direction in which I will have to steer my career in the future. For now, I’m recovering from the festival and trying to get my lab work running again (almost forgot, I’m still a post-doc) and remembering the great evenings at the DNA bar.
Please visit our website and weblog and do join our Facebook, Twitter and Hyves groups to help us win the prize in October!


- This blog was first posted on PCDI's community blog - 

zondag 15 augustus 2010

Het geheim van de aangroeiende ledematen

Het is een gemeen spelletje (waar ik me zelf nooit aan heb gewaagd…): als je bij een salamander een poot of de staart afsnijdt loopt het diertje vrolijk verder en groeit na verloop van tijd weer een nieuwe poot/staart aan… Ook regenwormen en zebravisjes hebben de mogelijkheid om lichaamsdelen te regeneren. Zoogdieren kunnen dit (helaas) niet – bij mensen kan alleen de lever zichzelf herstellen (hoewel er ook aanwijzingen zijn dat bij kleine kinderen geamputeerde vingertopjes weer kunnen aangroeien – dit terzijde). Hoe dit wonderlijke  mechanisme in salamaders werkt houdt biologen al decennia lang bezig.

Wanneer een salamander een staart of poot kwijtraakt, krijgen de spiercellen vlakbij de beschadiging hier signalen van. De ontwikkelde spiercellen doen dan als het ware een stapje terug en vormen primitievere, ongedifferentieerde spiercellen. Ze kunnen dan opnieuw gaan delen en vormen een “groeischijf” waaruit nieuw spierweefsel kan ontstaan. Bij salamanders is het gen Rb betrokken bij dit proces. Normaal, in een ontwikkelde spiercel, is het gen Rb actief; wanneer het wordt uitgeschakeld gaat de cel een stap terug in de celdelingscylcus en kan de aangroei van de verloren staart of poot beginnen. Bij menselijke spiercellen in kweek werkt dit principe niet – er moet dus nog een andere factor zijn in amfibieën die dit proces aanstuurt. Wat hebben salamanders dat wij niet hebben?

Wetenschappers uit Californië hebben nu het moleculaire mechanisme van dit principe verder blootgelegd (artikel in Cell Stem Cell). De onderzoekers kwamen erachter dat het niet gaat om iets dat salamanders wel hebben en zoogdieren niet, maar andersom. Ze vonden dat een gen, dat bij zoogdieren betrokken is bij celdeling, Arf genaamd, wél voorkomt bij zoogdieren maar niet bij amfibieën. Wanneer zowel Arf als het eerder genoemde Rb werden uitgeschakeld in muizen-spiercellen, gingen deze ook een stapje terug, net als bij salamanders. Wanneer de genen weer actief werden gemaakt, ontwikkelden de cellen zich weer tot gespecialiseerde spiercellen. Ook lieten de onderzoekers zien dat wanneer de “primitieve” cellen met uitgeschakeld Rb en Arf werden geimplanteerd in levende muizen, deze makkelijk konden integreren in volgroeide muizenspieren.

Dit is een belangrijke ontdekking voor de kennis over weefsel-regeneratie, maar er moet niet te vroeg worden gejuicht, iets dat ook de onderzoekers beamen. Beide genen, Arf en Rb, hebben ook een functie bij celdeling en zijn hiernaast ook “tumorsuppressorgenen”. Dat betekent dat ze in hun normale functie beschermen tegen  de ontwikkeling van kanker. Als je ze uitschakelt kunnen cellen zich ongehinderd gaan delen met alle gevolgen van dien… Zoogdieren lijken dus gedurende de evolutie het principe van weefsel-regeneratie te hebben verloren ten koste van een betere tumor-suppressie. De ontrafeling van dit mechanisme is een belangrijke stap in de kennis over weefsel-regeneratie, maar aangroei van een geamputeerd been door het uitschakelen van bepaalde genen zit er voorlopig niet in.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op wetenschapsblog Sciencepalooza

zondag 1 augustus 2010

The party brain

Unfortunately never published, but written as a report of a lecture-that-never-happened at the JUMP-the-FENS-party, Monday 5th of July, 2AM (or actually Tuesday 6th), Melkweg, Amsterdam
Peter Hagoort, Donders Institute for Brain, Cognition and Behavior

After dancing, watching movies and more dancing on the tunes of bancs like The Coronas, C-mon & Kypski, and the Wicked Jazz Club Band; at 2AM on this early Tuesday morning in July, the Melkweg was still packed with neuroscientists. Finally it was time for the “surprise act”… which was… a lecture? Seriously? What could Peter Hagoort, professor in Neurolinguistics, entertain us with at this hour considering the alcohol-consumption and subsequent diminished brainfunction of the audience?

Unfortunately due to technical problems the lecture was cancelled, but Peter Hagoort was so nice to send me his lecture anyway: THE PARTY BRAIN! Ok, that’s a good title for a lecture for this occasion… Do we really have a party brain? It was actually a special name that Hagoort had chosen for the occasion for the “social brain” as it is called in literature. Being a molecular biologist, I needed some background reading to understand the lecture, but here’s a summary:

During evolution, brain size has increased dramatically in size, especially the cortical regions. This has made us able to develop skills and behavior that are needed for the complex social situations that we find ourselves in every day, and for the development of brain function that is needed for language development and processing. Many knowledge about brain area’s that are important for language comprehension and behavior in complex social situations comes from imaging techniques as Electro-Encephalograpy (EEG), and more recently,  functional Magnetic Resoncance imaging (fMRI).

Hagoort has been using both techniques to study the activity of groups of neurons in reaction to processing of language - the first topic of his presentation. In one study, he used short sentences with correct and non-correct statement to see if our brain reacts differently to false or true statements. For example, it is very well known among Dutch people, that our trains are yellow and very crowded, so the brain reacts calmly on hearing this sentence. However, when the sentence is changed into “Dutch trains are white and very crowded”, he showed that the brain reacts much stronger on this sentence, especially during the word “white”. This condition is called “world knowledge violation”, because participants KNOW it is wrong. Another condition, called “semantic violation” applies to a sentence as “Dutch trains are sour and very crowded” – “sour” is a feature that is normally related to taste and food, and not to trains. Also this sentence causes a larger brain response. By fMRI-studies, Hagoort could localizae the area where these “violations” are processed, which happens in the same brain region for both conditions (the left interior prefrontal cortex, close to Broca’s area 45 and 47) (see Hagoort et al, Science 2004).

In addition, he showed other experiments of his group, where semantically correct sentences are spoken by different speakers. Social knowledge would cause the study participants to react differently on the sentence “I think I am pregnant” spoken by a female voice than spoken by a male voice. This also accounts for “I have a large tattoo on my back” spoken in an upper- or lower-class accent. It was known that processing of information with inconsistencies happens in the Left Inferior Frontal Gyrus (LIFG), and it was exactly this region that was extra activated during processing of the sentences with “world-knowledge violations” (see Tesink et al, JCN 2009).

Following, he showed data on studies about speaker meaning and intention, mirror neurons, and how our behavior is influenced by social situations. Did you know that you would evaluate the attractiveness of a face of a woman differently after you know what the “average person” thinks about it? Hagoort demonstrated that by an experiment where males had to judge the attractiveness of 222 female faces, followed by a confrontation of what is actually the social norm. 30 minutes later, the judgment shifted towards what was thought to be the “social norm”. This is caused by a brain region that is under dopamine control (Ridderinkhof et al, Science 2004).

Last, but not least, Hagoort switched to a very current topic at that moment: SOCCER! The next day, the Dutch team was about to play the half-finals against Uruguay. Mentioning soccer would surely have activated the brains of the audience that were almost sent to sleep… He touched upon a study published in 2009, where Dutch soccer-fans were asked to watch penalty’s taken during a hypothetical match between the Dutch and German national teams. The fragments were recorded with a computer game, involving players that were really playing during the 2006 World Soccer Championships. Following, the brain activity of the soccer fans was recorded by fMRI in 4 different situations: goal or miss by the Dutch team (friend), and goal or miss by the German team (foe). This study showed that a region in the Medial Frontal Cortex (MFC), the ventral Anterior Cingulate Cortex (vACC), responded highly when a missed goal was observed, regardless of whether it was made by the friend or the foe. So this brain area is insensitive to social context: an error is an error! Another brain area, however (the middle Anterior Cingulate Cortex - mACC), does respond more strongly to an error (miss) by a friend than a foe. However, these responses are not the same in any person, but related to the ability of the individual to empathize with others, and their own level of personal distress. So I guess Hagoort wanted us to observe our colleagues the next day during the match, and do a little psychology on them (Newman-Norlund et al, SCAN 2009)

So in conclusion, Hagoort aimed to show that our brain is equipped for complex social situations like a party, and that during the night you probably have experienced all the brain activity he described. Most likely, you have been confronted with sentences with either world or semantic violations (misunderstanding because of the loud music, friends making fun of you). Possibly, you were trying to confirm to the social norm by dressing and behaving normally although you might have wanted to do different. And, most likely, especially if your national team was still playing in World Cup, you would have been discussing soccer and thinking about how the important upcoming matches!

Again, it was a pity that the lecture could not take place, but as the organizers of the Jump-the-FENS wanted to demonstrate, even neuroscience is suitable for a party. Hagoort’s last message was that some brains are better equipped for complex social situations than other, so possibly the brains that were not would not have made it to the lecture… For those that were there: I hope you all slept well, enjoyed the party and still got something out of the conference the next day.

dinsdag 20 juli 2010

Transferrable skills

About being a writer, project coordinator and scientist

During a career as a scientist, you develop a lot of so-called 'transferable skills': not only do you learn how to do labwork, write and read papers, but also (sometimes without noticing) you learn how to lead projects, manage people, organize, teach, explain our research, and be creative and flexible. These transferable skills, and their importance, are becoming more prominent to me now I’m getting  involved in different things next to doing research.

First, I became a writer by for a popular science blog (sciencepalooza). I have always found writing in simple terms rather difficult, but after having written only a small number of blogs, I started to adapt to it. Now it takes me less and less time to get an idea, work it out and post it. Even during a busy conference, I found some time to write about interesting lectures...

Second, in participating in the Academische Jaarprijs with a team from our department, I have the task to be the coordinator of the project. I ended up being the contact person for the team-members participating and all secondary parties involved, and being responsible for keeping overview of the many different sub-projects we are doing. Because I wanted to be part of everything and keep an eye on all activities, the hours I was putting in were increasing and I was getting more and more stressed. So it was quickly learned that delegating jobs and trusting your team-members is actually the most important job of a project-coordinator.

Last but not least, I’m still a postdoc, so I have to keep my projects in the lab running (and actually working), to teach, to write grants, to visit conferences and to supervise students. To be able to do that there are two more very important skills I’m achieving more and more: multi-tasking and being efficient.

I think the experience I got as a scientist in the past 6 years, eg. to be flexible, to work together with different types of people (sometimes difficult ones) and to report about my work frequently made me able to adapt to these other functions quickly. So remember: if you doubt your skills at any point during your career, you probably have developed these skills already and it’s just a matter of refreshment!

- This blog was first posted on PCDI's community blog - 

donderdag 8 juli 2010

De hersenen en drugs – nieuws vanaf het FENS-forum (3)

Door steeds geavanceerdere technieken waarbij hersenactiviteit precies gemeten kan worden, wordt steeds meer duidelijk over wat de rol is van de hersenen bij complexe problemen zoals verslaving. Niet verwonderlijk dus dat op de meeting van de Federation of European Neuroscientists (FENS) verschillende sessies aan dit onderwerp gewijd worden. Zoals op dinsdag 6 juli, onder de titel “De neurobiologische factoren van drugsverslaving en terugval” waar onder anderen Dr. Yavin Shaham van het National Institute on Drug Abuse in Baltimore (VS) en Dr. Sabine Spijker van de Neuroscience Campus van de VU in Amsterdam hun resultaten presenteerden.

In hun onderzoek proberen Dr. Shaham en Dr. Spijker uit te vinden waarom het zo moeilijk is helemaal van een drugs- of alcoholverslaving af te komen, en hoe het komt dat mensen zelfs na jarenlange onthouding van drugs nog steeds kunnen terugvallen op hun oude gedrag.

Dr. Shaham deed onderzoek met aan cocaïne verslaafde ratten die zichzelf drugs konden toedienen als ze op een hendeltje duwden. Tegelijk kregen ze hierbij een lampje te zien, dit lampje werd dus positief geassocieerd met de drugs. Na een aantal maanden/weken moesten de ratten ‘cold-turkey’ afkicken, kortom, er gebeurde helemaal niets als ze op het hendeltje drukten, geen lampje en geen cocaïne. Na verschillende onthoudingsperiodes verscheen opeens wel weer het lampje als ze op het hendeltje drukten, maar geen drugs. Vreemd genoeg bleek dat hoe langer de onthoudingsperiode was, hoe vaker de ratten op het hendeltje drukten (artikel in Nature).

Dr. Shaham vergelijkt dit met ex-drugsverslaafden die na afkicken in de kliniek geheel ‘clean’ het gewone leven weer ingaan, maar vervolgens door de continue prikkels waar ze aan blootgesteld worden een grote kans hebben op terugval. Het was echter nog niet bekend dat de kans op terugval groter wordt na een langere onthoudingsperiode. Maar uit recent onderzoek van Dr. Shaham in samenwerking met een onderzoeksgroep in Chicago onder rokers blijkt dat ook bij mensen deze zogenaamde ‘incubatie van drugshunkering’ plaatsvindt.
De onderzoeksgroep van Dr. Spijker, in samen werking met Dr. Taco de Vries, ontdekte welk hersengebied betrokken is bij deze hunkering naar verslavende stoffen. Hiervoor gebruikten ze een techniek waarbij precies te zien is welke zenuwcellen actief worden bij blootstelling aan drugs en drugs-gerelateerde stimuli. Dit gebied is de ‘prefrontale cortex’, een gebied voorin de hersenen (artikel in Nature Neuroscience). Volgens Dr. Spijker is dit gebied enorm belangrijk voor zelf-controle bij hunkering, of, zoals zij zegt, zonder prefrontale cortex zouden we continu aan sex en goed eten denken. Uit hun onderzoek blijkt dat deze zeflcontrole wordt veroorzaakt door bepaalde eiwitten in dit hersengebied die de zenuwcellen (neuronen) omgeven en ze lijken te beschermen tegen drugs-gerelateerde stimuli. Na een langdurige verslavingsperiode is deze bescherming opgeheven, of in ieder geval sterk verminderd, waardoor de zenuwcellen sneller geactiveerd worden. Dit kan verklaren waarom je dus inderdaad nooit meer van een verslaving afkomt.

Het is opvallend dat deze processen niet afhankelijk zijn van het type drug. In proefdierstudies worden vergelijkbare resultaten verkregen met dieren die verslaafd waren geraakt aan cocaine, heroine, alcohol en zelfs suiker! Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek zouden dus betere/ andere behandelingsmethoden voor (ex)-drugsverslaafden kunnen voortkomen, en kan misschien meer inzicht verkregen worden in allerlei verslavingen en stoornissen, waaronder ook eetstoornissen en obesitas.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op wetenschapsblog Sciencepalooza