donderdag 13 september 2012

Correlatie in de kattenbak

Begin dit jaar werden kattenliefhebbers opgeschrikt door het nieuws dat het houden van katten kon leiden tot hersentumoren. Dit klinkt als een raar verhaal, en dat bleek het ook te zijn. Er was namelijk niet ontdekt dat katten hersentumoren kunnen veroorzaken, er was slechts een correlatie gevonden tussen een veelvoorkomende parasiet en het aantal hersentumoren. Dit is een oude, hardnekkige denkfout in de wetenschap: Correlatie betekent niet Causaliteit.

De aanstichter van dit rumoer was Toxoplasma gondii, een parasiet die voorkomt in de ontlasting van katten, maar bijvoorbeeld ook in tuinaarde. De parasiet kan mensen besmetten, via katten, door tuinieren of door het eten van ongewassen groenten. Dit is meestal onschadelijk, alleen bij zwangere vrouwen levert infectie een risico op voor het ongeboren kind. In Nederland is 30% van de bevolking ooit geïnfecteerd geweest met Toxoplasma - maar deze mensen hebben lang niet allemaal een kat.

Een experiment waarbij ratten geïnfecteerd werden met de parasiet leidde tot een rare gedragsverandering (link): in plaats van bang te zijn voor katten kregen ratten een voorkeur voor kattenurine en begaven zich zo gevaarlijk dicht in de buurt van hun vijanden. De rat wordt zo een makkelijke prooi, waardoor de parasiet zich kan voortplanten in de darmen van de kat. De gedragsverandering bij ratten wordt veroorzaakt doordat de parasiet zich nestelt in delen van de hersenen die betrokken zijn bij angstgedrag.

Er zijn aanwijzingen dat ook mensen die geïnfecteerd zijn met Toxoplasma risicovol gedrag gaan vertonen. Een Tsjechishe wetenschapper beweert dat mensen hierdoor ook zelfdestructieve dingen gaan doen, als onveilig de straat oversteken. Hij publiceerde studies waarin hij een verband liet zien tussen infectie en het risico op verkeersongelukken. Ook andere wetenschappers vonden een relatie tussen Toxoplasma-infecties en neurologische afwijkingen zoals schizofrenie (link).

Bij ratten leidde infectie met de parasiet ook tot hersentumoren. Franse onderzoekers vonden dit genoeg reden tot verdere studie en onderzochten of Toxoplasma-infecties ook bij mensen gecorreleerd was met hersentumoren. Ze gebruikten hiervoor statistieken van het percentage mensen die ooit besmet waren geweest met de parasiet  en vergeleken dit met het voorkomen van hersentumoren in bepaalde landen. Een hoger infectiepercentage correleerde inderdaad met een hoger aantal hersentumoren. Ook regionale verschillen in Frankrijk gaven hetzelfde beeld: infectie met Toxoplasma gondii was gerelateerd aan een hogere kans op hersentumoren (link).

De pers sprong hierop: in Nederland heeft de helft van de huishoudens katten, dus dit zou een risico voor de volksgezondheid zijn! Maar er was ook kritiek, en vorige maand verscheen een nieuw onderzoek, waarin Britse onderzoekers de gegevens van een groot bevolkingsonderzoek gebruikten en aantoonden dat er geen verband was tussen kattenbezit en hersentumoren. Ook zagen ze, wat al eerder bekend was, dat er geen correlatie was tussen het hebben van een kat en de kans op Toxoplasma-infectie (link).

Echter, alle genoemde onderzoeken keken naar correlaties tussen verschijnselen: infectie met de parasiet versus hersentumoren; kattenbezit versus hersentumoren, enzovoorts. Er was in geen enkele studie kwestie van oorzaak en gevolg. Dat is pas het geval als een biologisch mechanisme wordt ontdekt waarmee valt te verklaren waaróm Toxoplamsa-infectie leidt tot hersentumoren. Dit onderzoek was niet meer dan het vergelijken van statistieken, en dat is nog lang geen causaliteit. Helaas is voor de gemiddelde burger én journalist het verschil tussen correlatie en causaliteit niet zo duidelijk, met grote ophef over niets als gevolg. Kattenliefhebbers kunnen gerust ademhalen. 

Dit artikel verscheen in de Groene Amsterdammer voor Sciencepalooza

zondag 9 september 2012

Drinken tijdens het hardlopen? Onzin, wacht maar tot je dorst hebt!


Tijdens een hardlooptraining op een warme zomeravond lagen meerdere flesjes water en sportdrank langs het trainingsrondje van 800 meter. Na iedere ronde werd daar gretig uit gedronken. Onzin, vond de trainer – door steeds maar te drinken zou het lichaam teveel wennen aan veel vocht, en zou je in een wedstrijd in de problemen komen als er maar weinig drinkposten zijn. Pas vanaf een training van 2 uur, vond hij, moet je vocht meenemen. Dit had hij gelezen in het vakblad voor hardlooptrainers, maar velen waren het niet met hem eens. Ik dook eens wat dieper in de literatuur en kan hem alleen maar gelijk geven.

Zowel het tijdschrift voor hardlooptrainers (ProLoop), als het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift British Medical Journal (BMJ) schreven deze zomer over dit onderwerp, met als conclusie: wacht maar met drinken tot je écht dorst hebt. Dat je moet drinken tijdens het sporten om “dehydratie” te voorkomen, wordt je aangepraat door de makers van sportdrankjes.

Het tijdschrift BMJ had, in het kader van de Olympische Spelen, een oproep gedaan aan artsen en medisch studenten om de wetenschappelijke literatuur over sportdranken en  voedingssupplementen eens goed te doorgronden. Het onderzoek naar het nut van sportdranken – en voeding is namelijk vaak niet echt onafhankelijk. Het idee over drinken tijdens het sporten is de afgelopen decennia radicaal veranderd. Toen in de 60’er jaren de eerste marathons werden georganiseerd werd atleten zelfs afgeraden te drinken tijdens het lopen, dit zou alleen maar tijd kosten en maag/darmproblemen tot gevolg hebben. In 1969 werd dit omvergegooid door een artikel waarin de relatie tussen dehydratie van snelle lopers en de kans op een zonnesteek beschreven werd. Er werd toen geconcludeerd dat een gewichtsverlies door vocht van meer dan 2% schadelijk zou zijn.

Echter, in de 60’er jaren werden op de marathon tijden gelopen waar men nu nog jaloers op kan zijn. Ook recentere voorbeelden, van bijvoorbeeld lopers die tijdens de Ramadan marathons wisten te winnen, laten zien dat je ook zonder veel vocht hard kunt lopen. Sommige professionele lopers kunnen wel tot 10% van hun gewicht aan vocht verliezen en alsnog een marathon winnen.

Maar kijk nu eens naar een plaatselijke amateurhardloopwedstrijd, en je ziet zelfs bij afstanden van 5 kilometer lopers met gordels met sportdrank. Dit zijn vooral de langzame lopers, die zo zeker geen vocht zullen verliezen tijdens de wedstrijd, maar alleen maar aankomen. Hebben die lopers al dat vocht écht nodig? Nee, zeggen de onderzoekers uit Oxford die in opdracht van BMJ de literatuur doorgrondden. Volgens hen is het “gevaar van dehydratie” ons aangepraat door de producenten van sportdrankjes. Er is nog nooit iemand overleden door dehydratie tijdens het sporten, echter, er zijn al wel 16 gevallen bekend van overlijden door over-hydratie (teveel drinken) tijdens het sporten, en meer dan 1600 ernstig zieken. Maar waarom lezen en horen we toch altijd dat je “moet drinken voor je dorst hebt”?

Door in de jaren ‘90 wetenschap te koppelen aan sportdranken, en top-atleten deze drankjes te laten promoten, is het grote publiek gaan geloven dat dehydratie gevaarlijk is en dat je lichaam niet zelf aan kan geven wanneer je moet drinken. In de Verenigde Staten is in 1996 een “guideline” uitgekomen over drinken tijdens het sporten. Deze is geschreven door de American College of Sports Medicine, die 4 jaar eerder een kwart miljoen dollar van Gatorade had ontvangen. De schrijvers van de guidelines waren ook allerminst onafhankelijk, de meesten hadden financiële banden met Gatorade, Coca-Cola (maakt Powerade) of GSK (maakt Lucozade). In 2007 werden deze guidelines enigszins aangepast, maar nog steeds was drinken, drinken, drinken het devies, en de regel dat meer dan 2% gewichtsverlies door vocht gevaarlijk zou zijn.

Wanneer producenten van sportdranken werden geconfronteerd met het gevaar van overhydratie, stelden zij dat dit kwam doordat mensen slechts water dronken, en het drinken van veel sportdranken (zie ook zouten en suikers bevatten) wel goed is. Hier is echter geen enkel bewijs voor. Door de agressieve marketing van sportdrankjes en de relatie met “sportief” en “gezondheid” hebben de mierzoete en calorie-rijke drankjes zelfs een gezond imago gekregen. Ook weinig actieve mensen en jonge kinderen drinken ze veelvuldig, en krijgen zo onnodig veel suikers en caloriën binnen.

Kortom, de gezondheids- en frisdrankenindustrie heeft ons een “ziekte” aangepraat die dehydratie heet, en die níet op te lossen is met water, maar met dure drankjes. Maar is er één dier dat drinkt voordat hij dorst heeft? En die dorst niet kan lessen met water? Het is goed dat een belangrijk wetenschappelijk tijdschrift met een dergelijk artikel komt, waarin de producenten van sportdrankjes er goed van langs krijgen. Nu nog alle amateurhardlopers zover krijgen dat ze zonder water gaan trainen, zoals ook het tijdschrift voor hardlooptrainers adviseert aan trainers. En na afloop een lekker glaasje water.

Bronnen:
- Het gevaar van watervergiftiging bij marathonlopers, Bernhard te Boekhorst, PRO LOOP, juli 2012
- The truth about sports drinks, BMJ July 2012: http://www.bmj.com/content/345/bmj.e4737

Dit artikel verscheen in de TRIbune, het clubblad van Triatlonvereniging GVAV in Groningen


dinsdag 28 augustus 2012

Sex sells, helaas ook in de wetenschap


Iedere journalist weet het: schrijf iets over seks (of iets wat in de verte te maken heeft met seks) en je artikelen zullen (zeker op het internet) veel gelezen worden. Dit gaat helaas ook op in de wetenschapsjournalistiek, waardoor serieus onderzoek vaak met een spannend seksueel sausje wordt overgoten om er een leuk verhaal van te maken.
Gay-SheepEr wordt veel onderzoek gedaan naar seksueel gedrag bij dieren, ook naar relaties tussen dieren van dezelfde sekse. Evolutionair biologen willen graag weten waarom zulk gedrag bestaat, en wat de rol hiervan is in de evolutie. Natuurlijk is dit soort onderzoek voor een algemeen publiek ook interessant, en wordt erover geschreven in populaire media, maar hierbij worden vaak woorden gebruikt als lesbisch, homoseksueel of transgender gedrag. Dit zijn echter culturele begrippen die helemaal niet van toepassing zijn op dieren. Twee biologen uit Engeland en Australië roepen nu in het tijdschrift Nature (wetenschaps)-journalisten én wetenschappers op om voorzichtiger te zijn met woordgebruik bij studies naar seksueel gedrag bij dieren. Ze analyseerden 48 artikelen uit populaire media over 11 wetenschappelijke studies naar seksueel gedrag bij dieren om dit te onderstrepen.
Eén studie, bijvoorbeeld, schreef over de worm Caenorhabditis elegans, en hoe een bepaald gen de zenuwcellen die seksueel gedrag van de mannetjes kan veranderen. Het populaire artikel hierover beschreef hoe “seksuele voorkeur in wormen genetisch is bepaald” en hoe “dit met een genetische switch om te draaien is”. Dit is niet alleen een overdreven interpretatie, het is ronduit fout omdat 99,9% van deze wormen hermafrodiet zijn – zowel mannelijk als vrouwelijk – en er dus van seksuele oriëntatie überhaupt geen sprake is.
Een ander voorbeeld gaat over “homoseksuele” schapen, waarbij in de wetenschappelijke studie gekeken werd naar de hersenenactiviteit van rammen die seksueel gedrag vertoonden ten opzichte van andere mannelijke schapen. Met pakkende titels als “Brokeback Mutton” werd het algemene publiek echter een verhaal voorgeschoteld waarin het onderzoek werd beschreven als een poging om homoseksualiteit te genezen. Hier moeten we in Nederland natuurlijk om lachen, maar in de Verenigde Staten is een flinke rel uitgebroken tegen de wetenschappers die dit onderzoek deden.
Het ligt echter niet alleen aan de journalisten die een pakkende titel willen zoeken, ook de wetenschappers zelf hebben hier veel invloed op. Een biologe die onderzoek doet naar het paargedrag van albatrossen weigert pertinent antwoord te geven op de vraag wat haar onderzoek kan zeggen over menselijk gedrag. Ook werd ze vaak geciteerd door te zeggen dat “lesbisch” een menselijke term is. Als gevolg hiervan gebruikte journalisten vaker termen als “same-sex-couples” in plaats van “lesbisch”.
De schrijvers van het stuk keken voornamelijk naar teksten in Engelstalige media, maar ook in Nederland kunnen we hier wat van, zoals blijkt uit artikelen als “wetenschappers maken hetero-muis lesbisch” en over een “homoseksuele relatie van de zebravink”. Dit antropocentrisch gedrag geeft een verkeerd beeld van gedragsonderzoek bij dieren, en zowel journalisten als wetenschappers moeten dit afleren, aldus de schrijvers van het stuk in Nature. Daar hebben ze gelijk in, maar ik vind stiekem “Brokeback Mutton” wel erg goed gevonden…
Bron: Science Journalism, let’s talk about sex – Andrew B. Baron and Mark J.F.Brown:http://www.nature.com/nature/journal/v488/n7410/full/488151a.html

Dit stuk verscheen eerder op Sciencepalooza

maandag 27 augustus 2012

Waarom is een lapjeskat (bijna) altijd een vrouwtje?


Voor Wetenschap101.nl maakte ik in juni een filmpje over de genetica van lapjeskatten. Bekijk ook alle andere filmpjes op http://wetenschap101.nl/, met iedere dag een nieuwe bijdrage over wiskunde, natuurkunde, biologie en nog meer.


maandag 6 augustus 2012

Waarom vrouwen (geen) sport kijken


De sportzomer komt deze maand op zijn hoogtepunt met de Olympische Spelen in Londen. Groningse economen voorspelden dat de Nederlandse ploeg goed zou moeten zijn voor maar liefst 8 gouden medailles. Na de tegenvallende resultaten bij het EK zou dat een opsteker zijn voor de Nederlandse sportliefhebber, maar ook voor de bedrijven die veel geld pompen in reclames rondom de evenementen. Want Albert Heijn, C1000 en andere supermarkten zitten nu nog met bakken oranje ellende in hun maag, die ze maar matig kwijt konden tijdens het voetbaltoernooi.

Minder voetbal

Dit jaar lanceerde Albert Heijn voor het eerst een campagne speciaal gericht opvrouwen. Want, vond AH, mannen kunnen wel zeggen dat ze meer van voetbal weten, maar misschien zijn vrouwen veel beter in het voorspellen van de wedstrijden. Of deze campagne succesvol is geweest vertelt het verhaal niet, maar feit is wel dat vrouwen veel minder voetbal (en sport in het algemeen) kijken dan mannen. Veel tv-zenders hebben dan ook tijdens deze sportzomer een speciale programmering voor vrouwen met veel series en romantische films, om deze kijkersgroep naar zich toe te trekken. Maar waarom kijken vrouwen eigenlijk zo weinig naar sport, terwijl ze zelf vaak wel aan sport doen?
Het idee was namelijk altijd dat als er meer vrouwen sport zouden gaan beoefenen, er ook meer vrouwen naar sport zouden gaan kijken. Maar alhoewel de afgelopen decennia steeds meer vrouwen deelnemen aan een (team)sport, blijft het vrouwelijk deel in de sportkijkers enorm achter. Waarom dat is, dat hebben onderzoekers uit Tennessee en Pennsylvania vorig jaar eens goed uitgezocht. Met een uitgebreide analyse van de literatuur en praatgroepen met vrouwen probeerden ze antwoord te krijgen op de vraag waarom vrouwen minder vaak sport kijken dan mannen.

Samen tijd doorbrengen

De meeste vrouwen in de praatgroepen keken wel eens sport, maar deden dat niet omdat ze graag sport willen zien, maar om graag tijd door willen brengen met hun partners en/of kinderen. Vrouwen zijn minder geneigd om sport te kijken puur als vrijetijdsbesteding, in tegenstelling tot mannen. En als ze dan sport kijken, dan liever een sport die in overzichtelijke tijdseenheden is opgebouwd zoals onderdelen van de Olympische spelen en kunstschaatsen, dingen die je tussendoor kunt kijken, in tegenstelling tot een voetbalwedstrijd die werkelijk een hele avond duurt. Vrouwen lijken sport meer te bekijken als het uitkomt en de rest van de (al dan niet huishoudelijke) taken klaar zijn, terwijl mannen er écht voor gaan zitten.
Dus, de simpele assumptie dat vrouwen meer sport gaan kijken als ze het ook meer doen, lijkt niet op te gaan, zeker niet in traditionele huishoudens waaruit het onderzoek voornamelijk bestond. De onderzoekers denken dat de veranderingen in de maatschappij, waardoor er meer eenpersoonshuishoudens van zowel mannen als vrouwen zijn, kan leiden tot een verandering in deze rolpatronen. Mannen zullen meer huishoudelijk werk doen en vrouwen kunnen meer eigen vrije tijd besteden, zonder familie.
Persoonlijk vind ik de conclusies wel erg rolbevestigend, en ik vraag me af of in Nederland de uitkomst van een dergelijk onderzoek hetzelfde zou zijn als in de VS. Maar ja, ik kijk ook nooit naar sport. Behalve naar het atletiek op de Olympische spelen. Dat duurt tenminste niet zo lang.
Dit artikel verscheen op sync.nl

De genetische geschiedenis van de banaan


De banaan is het meest gegeten stuk fruit in de westerse wereld. In veel landen in Afrika en Azië zijn bananen zelfs een essentieel onderdeel van het dieet. Deze populaire vrucht is misschien wel een van de meest doorgefokte etenswaren die we kennen, zowel uiterlijk als genetisch lijkt hij in geen enkel opzicht nog op zijn historische voorouder. Het slechte nieuws: de banaan wordt bedreigd door een agressieve schimmel. Het goede nieuws: de opheldering van de DNA-volgorde van de banaan, vorige maand gepubliceerd in het tijdschrift Nature,  zou wel eens zijn redding kunnen zijn.
De wilde banaan, die al zo’n 7000 jaar geleden werd verbouwd, heeft donkere zaden en is veel kleiner dan de gele monsters die we nu eten (zie afbeelding). Dat monster, de Cavendish genaamdis een kruising tussen twee wilde bananenrassen (Musa acuminata en Musa balbisiana), en is ontstaan door een eeuwenlange selectie van planten die vruchten maakten zonder zaden. Een banaan is dus steriel, want zonder zaden kan een vrucht niet voortplanten. Nieuwe bananenplanten worden verkregen door het maken van een “stek”, een kloon van de plant en zijn dus genetisch identiek. Meer dan 50% van alle bananen ter wereld is van het ras Cavendish – een Nederlandse banaan heeft dus dezelfde DNA-volgorde als die in Afrika of Australië. En dat is riskant, want één schimmel die de banaan infecteert kan bijna alle bananen ter wereld uitroeien. In 1960 gebeurde dit bijna en de geschiedenis lijkt zich te herhalen, nu de schimmel Fusarium oxysporum de bananenteelt in grote delen van Aziëbedreigt.
Met DNA-technologie zou het mogelijk moeten zijn een genetisch aangepast bananenras te maken dat resistent is tegen de nieuwe schimmel. Daarvoor moet echter eerst de DNA-volgorde van de banaan bekend zijn. Door de eeuwenlange selectie op uiterlijke kenmerken, vervoer naar andere continenten en mogelijke kruisbestuivingen met andere rassen, was het onduidelijk hoe de banaan genetisch precies in elkaar zit. Om de exacte afstamming van de Cavendish te kunnen ophelderen was het nodig om van de twee wilde bananenrassen de DNA-volgorde te bepalen, en die te vergelijken met de Cavendish. Een internationale groep onderzoekers, geleid door Franse wetenschappers, hebben onlangs een eerste stap genomen.
De onderzoekers waren geïnteresseerd in de complexe evolutie van de wilde banaan. Daarom vergeleken ze de DNA-volgorde met gewassen die genetisch verwant zijn aan de banaan, zoals rijst, asperge, gember, zandraket, dadelpalm en andere grassen. Hierdoor konden de onderzoekers uitpluizen wanneer in de evolutie de verschillende rassen zich van elkaar hebben gesplitst. Zo bleek dat de wilde banaan ongeveer 75 miljoen laar geleden afgesplitst is van de gember, 100 miljoen jaar geleden van de dadelpalm en nog eerder van de rijst en de asperge.
Dit onderzoek geeft een kijkje in de evolutie van de banaan en aanverwante soorten, en kan gebruikt worden voor vergelijkende studies naar de oorsprong van planten. Over dit onderzoeksproject hing echter ook de schaduw van de bedreiging van de bananenteelt door de eerder genoemde schimmel. Het gebruikte wilde bananenras is resistent tegen die schimmel. In de DNA-volgorde hebben de onderzoekers daarom ook gezocht naar stukken DNA die betrokken zijn bij resistentie. Deze hebben ze gevonden en die kennis kan nu hopelijk worden gebruikt bij het maken van een nieuwe bananensoort door nieuwe rassen te kweken of door genetische modificatie. Zo kan moderne DNA-technologie misschien deze oude vrucht redden.
Dit artikel verscheen in de Groene Amsterdammer voor Sciencepalooza

dinsdag 17 juli 2012

Hoe heet werd Lance armstrong op de Alpe d'Huez?


Computermodel van energieomzetting in atleet

Veel dappere fietsers beklommen afgelopen maand de Alpe d’Huez, niet één maar soms wel zes keer. Dat ze het warm hebben gekregen lijkt me duidelijk, maar hoe warm wordt een lichaam precies bij zo’n topprestatie? Dit valt nu te berekenen met behulp van een computermodel, gemaakt door onderzoekers van het VUMC in Amsterdam.

De onderzoekers hadden een uitnodiging ontvangen van het tijdschrift Philosophical Transactions of the Royal Society, die een themanummer wilden maken over de virtuele fysiologische mens. De vraag was of het mogelijk was om een simulatie van een sportende persoon te maken in de computer. De onderzoekers namen deze uitdaging met beide handen aan en kozen voor een computermodel van fietsprestaties. Ze concentreerden zich hierbij op Lance Armstrong, de eens zo fameuze maar nu met dopingverhalen omgeven wielrenner en triatleet. Zijn topprestatie op de Alpe d’Huez in 2001, waarin hij in 39 minuten en 41 seconden de 1839 meter hoogteverschil bedwong, vormde de basis van het model.

De onderzoekers kozen voor Lance Armstrong omdat al zijn fysiologische gegevens ooit zijn gemeten door een sportfysioloog in Austin en zijn gepubliceerd. Zo hoefden de onderzoekers geen nieuwe metingen te doen. Om het computermodel te maken, verdeelden de onderzoekers het lichaam van Lance in 4 lagen: de kern, de spieren, vetweefsel, en de huid. Ze berekenden dat voor zijn geweldige tijd in 2001, Lance, inclusief rol- en luchtweerstand, 450 watt nodig gehad om te fietsen, en produceerde hij 1600 watt warmte. Meer dan driekwart van de energie geproduceerd door de spieren wordt dus omgezet in warmte.

Vervolgens stopten de onderzoekers al deze gegevens in het model en simuleerden zij de warmte van Lance op verschillende momenten – voor de start, net na de start en aan het einde van de klim. Ze zien in dit model dat de temperatuur van de huid eerst daalt door de wind, maar daarna warmer wordt door de warmteproductie van de beenspieren. De beenspieren worden uiteindelijk bijna 40 graden, maar ook de temperatuur in de hersenen stijgt naar een koortsachtige 39 graden Celcius. Bij 41 graden hersenwarmte krijgt een normaal mens een hitteshock. De reden dat Lance Armstrong wel zo hard kan fietsen en wij niet, is waarschijnlijk dat Lance een zodanig vermogen tot zweetproductie en acclimatisatie heeft dat hij zijn hoofd koel kan houden. Daarbij berekenen ze dat voor dit alles een enorm hoge zuurstofopname nodig is van 5,9 liter per minuut (bij een gemiddeld mens is de maximale zuurstofopname zo’n 3.5 liter per minuut).

De onderzoekers plaatsen natuurlijk de kanttekening dat dit maar een model is, en ze de werkelijke temperaturen niet hebben gemeten, maar het zal elkaar niet veel ontlopen. Dit onderzoek had dus vooral een theoretisch nut: aantonen dat je een heel mens in een computermodel kunt stoppen. Maar in de toekomst kan het model bijvoorbeeld gebruikt worden voor het simleren van warmte van gewone mensen die een bizarre prestatie gaan leveren, en kan op basis hiervan eventueel sportadvies gegeven worden.

Dit onderzoek werd gepresenteerd door onderzoeker Hans van Beek op Bessensap, het jaarlijkse “wetenschap ontmoet de pers”- evenement in Den Haag. Zie voor meer informatie over het onderzoek de website van het VUMC