zondag 30 juni 2013

De kieskeurige kakkerlak


Blatella_germanica
Kakkerlakken zijn veelvoorkomende gasten in warme landen en grote delen van de Verenigde Staten. Je komt ze vaak tegen in keukenkastjes, zoekend naar voedsel, en ze kunnen tot wel acht centimeter groot worden – niet echt prettig dus als je die ’s ochtends bij je ontbijt tegenkomt. Gelukkig zijn er kakkerlakkenvallen: pesticiden gemengd met veel suiker, het lievelingskostje van de kakkerlak. Althans, zo werden kakkerlakken sinds de jaren ‘80 bestreden. Maar al geruimte tijd is deze methode niet zo heel succesvol meer. Ongediertebestrijders braken zich hier jarenlang het hoofd over: de kakkerlakken waren namelijk niet resistent geworden tegen het pesticide – wat je misschien zou verwachten. Uiteindelijk werd ontdekt dat de kakkerlakken de vallen bewust vermeden, alsof ze wísten dat het niet pluis was. Zijn kakkerlakken echt zo slim? Of hebben ze zich weten aan te passen?
Het blijkt een uiterst effectieve natuurlijke selectie: terwijl de suikerminnende kakkerlakken en masse stierven door in de val te trappen, is er een hele nieuwe populatie ontstaan die niet meer van suiker houdt. Dit is bijzonder, want normaal is suiker de belangrijkste voedingsbron van de kakkerlak. De dieren die hadden geleerd om het niet meer te eten, groeiden daarom ook minder goed, maar omdat ze niet meer in de val liepen hadden ze wel een grotere overlevingskans dan hun soortgenoten. Een razendsnelle gedragsverandering was het gevolg. Maar hoe werkte die precies?
Om dit uit te zoeken gebruikten onderzoekers uit de VS twee groepen Duitse kakkerlakken (Blatella germanica): één groep die nog nooit in aanraking was geweest met kakkerlakkenvallen, en een ander die inmiddels de neus ophaalde voor de gesuikerde pesticiden. De zoektocht van de wetenschappers leidde naar het smaakzintuig van de kakkerlak: de paraglossae. Hierin zitten verschillende zenuwcellen die reageren op smaken: één soort reageert op lekkere smaken als suiker, en één soort op vieze, bittere dingen als cafeïne. De reactie van die zenuwcellen beïnvloedt vervolgens het gedrag van de kakkerlak – bij een lekkere smaak zullen ze toehappen, en bij een vieze smaak zullen ze weglopen.
De onderzoekers plaatsten piepkleine electroden in die zenuwcellen, om te meten hoe sterk deze reageerden op verschillende smaken. De kakkerlakken werden blootgesteld aan glucose (de suiker in de vallen), fructose (een andere suiker) en cafeïne, terwijl de activiteit van de zenuwcellen gemeten werd. Alle kakkerlakken hadden dezelfde reactie op fructose (lekker!) en op cafeïne (bitter!). Echter, op glucose reageerden bij de gewone kakkerlakken alleen de zenuwcellen die gevoelig zijn voor lekkere stoffen, terwijl bij de suikerhaters tegelijk ook de zenuwcellen die gevoelig zijn voor bittere smaken werden geactiveerd. Die laatste werden zelfs sterker geactiveerd, waardoor de reactie van de zenuwcellen die reageerden op glucose werd onderdrukt. Voor die kakkerlakken smaakte suiker dus écht bitter, en daar reageerden ze ook naar: wegwezen!
Het zintuig van de kakkerlak was dus snel en effectief aangepast om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden. Wetenschappers wisten niet dat deze veranderingen zó snel konden plaatsvinden; dit onderzoek is dan ook het eerste waarin dit tot op neurologisch niveau is uitgezocht. Ongediertebestrijders kunnen op basis van deze studie nu de vallen aanpassen: het lijkt de beste strategie om verschillende suikers in de vallen af te wisselen. Omdat suiker toch het lievelingseten is van de kakkerlak is, zullen ze wél weer in een val met een andere soort suiker, zoals fructose, stappen. Zo slim zijn ze ook weer niet.\
Dit artikel verscheen in de Groene Amsterdammer voor Sciencepalooza

zondag 9 juni 2013

Marathonlopers: beter pijn ondergaan dan pijnstillers slikken

Iedere fanatieke sporter zal het ooit hebben gehad: de dag van de wedstrijd is aangebroken, maar je hebt pijn. Spierpijn omdat je toch nog nét iets te hard getraind hebt een paar dagen eerder. Of een pijnlijke voet/been/schouder door een blessure die niet goed over wil gaan. Onschuldige pijntjes die je geplande toptijd in het water gaan gooien. Je neemt maar een pijnstiller – dan heb je er tenminste tijdens de race geen last van.  Je kunt op je klompen aanvoelen dat die spierpijn na de wedstrijd nog heftiger is, en dat die blessure zo zeker niet overgaat. Maar ja, alles voor de wedstrijd!


Duitse onderzoekers ontdekten echter dat het slikken van pijnstillers voor een wedstrijd echt schadelijke effecten kan hebben. Zij gaven alle 8000 deelnemers van de marathon in Bonn (in 2010) een vragenlijst waarin ze vroegen naar het gebruik van pijnstillers, naast wat standaardvragen. Bijna 4000 lopers vulden het formulier volledig in. De onderzoekers kwamen erachter dat maar liefst de helft van hen pijnstillers voor of tijdens de wedstrijd hadden genomen. Gemiddeld waren de pillenslikkers iets ouder dan de controlegroep, en gebruikten vrouwen iets vaker pijnstillers dan mannen. De meest gebruikte middelen waren diclofenac en ibuprofen, en ook nog flink hoge doses daarvan (100mg en 800mg resp.).Ook paracetamol, aspirine en andere medicijnen werden gebruikt.

De onderzoekers vroegen de lopers tegen welke problemen ze opliepen tijdens en na de wedstrijd,  zoals darmkrampen, hartproblemen, en bloed in de urine of ontlasting. Het bleek dat gebruikers van pijnstillers véél vaker dergelijke effecten rapporteerden dan de lopers die geen pijnstillers gebruikten. Ook werd gevraagd hoe vaak deelnemers tijdens de wedstrijd afhaakten, door klachten als spierkramp, overige pijntjes en andere klachten. Hierin was geen verschil tussen mensen die pijnstillers slikten en degenen die dat niet hadden gedaan. Ook vroegen ze de lopers of ze na de wedstrijd spier- of gewrichtspijn hadden. De pillenslikker hadden flink vaker dergelijke pijnen na afloop van de wedstrijd. Pijnstillers zorgden er dus niet voor dat mensen vaker de wedstrijd uitliepen, en leidden niet tot minder pijnklachten. Weinig positieve effecten dus.

Verder hadden de onderzoekers ook inzicht in hoeveel deelnemers ernstige klachten kregen, en zelfs in het ziekenhuis terecht waren gekomen na de wedstrijd. Er werden negen dergelijke zware gevallen gerapporteerd: bloedende maagzweren, een hartstilstand, hartritmestoornissen en nierproblemen. Deze negen deelnemers hadden allen flinke doses pijnstillers gebruikt – en soms voor iets kleins als lichte pijn aan een voet.
Natuurlijk heeft het onderzoek zwakke punten – omdat het een vrijwillige vragenlijst was kan het zijn dat de resultaten niet helemaal reprentatief zijn. Daarnaast ontbreken gegevens van deelnemers zoals BMI, ander medicijngebruik enz., waardoor een goede analyse van de effecten van de pijnstillers niet mogelijk is. Ook kan niet gezegd worden of de pijnstillers echt de oorzaak van de klachten zijn. Toch is de conclusie van de onderzoekers dat het gebruik van pijnstillers voor of tijdens een marathon af te raden is. Niet alleen hebben de pijnstillers geen effect op de kans om de wedstrijd uit te lopen, en verlagen ze de kans op pijn niet, ook kun je je er allerlei serieuze ellende mee op de nek halen.

Kortom, pijn verdragen is beter dan onderdrukken!

Twee artikelen verschenen over dit onderwerp op de website van de krant The Guardian: deze en deze. 
Het originele artikel is hier te vinden. 


donderdag 30 mei 2013

Uw smartphone als wetenschappelijk instrument


iSPEX-proto2a
Burgerwetenschap, of citizen science, is hot. Bij steeds meerwetenschappelijke projecten wordt het publiek opgeroepen mee te helpen met het verzamelen van gegevens. Zoals Foldit, een computerspel waarbij spelers worden uitgedaagd om eiwitten op de juiste manier te vouwen, of  Galaxy Zoo, waarbij amateursterrenkundigen sterrenstelsels vanachter de computer konden classificeren. Tientallen van zulke projecten zagen de afgelopen jaren het licht (voor een overzicht: www.zooniverse.org). Nederland kende eerder al deSplashteller, waarvoor automobilisten werden opgeroepen om dode insecten van hun nummerborden te pulken en deze maand begint in Nederland een nieuw wetenschappelijk experiment waarbij gewone de rol van de wetenschapper deels overnemen. In het project iSPEX gaat de burgeractief op pad om een bijdrage te leveren aan de wetenschap. Met een alledaags voorwerp: de smartphone.
iSPEX gaat over fijnstof: kleine deeltjes in de atmosfeer van de aarde, zo klein dat ze blijven zweven in de lucht. Fijnstof wordt geproduceerd door verkeer en de industrie, maar ook zoutkristallen of woestijnzand vallen onder de term fijnstof. Die deeltjes zijn zo klein dat ze kunnen worden ingeademd, waardoor fijnstof een schadelijk effect kan hebben op de gezondheid. Vooral mensen met astma of andere longproblemen zijn er gevoelig voor. Het doel van het iSPEX-project is om beter zicht te krijgen op de hoeveelheden en de soorten fijnstof op verschillende plaatsen in Nederland.
Lees verder op Sciencepalooza

zaterdag 11 mei 2013

Minimalistische schoenen – toch niet zo goed?


Al eerder schreef ik hier over minimalistische hardloopschoenen, die steeds populairder worden.  Veel mensen loven de schoenen vanwege de “meer natuurlijke” loopstijl en refereren naar vroeger, toen er nog geen hardloopschoenen bestonden, en naar snelle Afrikaanse atleten die op blote voeten een wedstrijd winnen. Lopers hopen op minimalistische schoenen sneller te kunnen lopen. Ook zijn er aanwijzingen dat lopen met minimalistische schoenen leidt tot minder blessures, iets wat bewegingsonderzoekers van de RUG ook bestuderen.

Maar niet alle meningen zijn even positief. Want door het gebrek aan vering in de schoenen krijg je hardere klappen op je voet, en dat leidt tot meer stress in de onderste ledematen. De American Podiatric Medical Association (www.ampa.org) schreef in 2012 dat er nog onvoldoende wetenschappelijk onderzoek gedaan is naar de voor- en nadelen van minimalistic running. Vooral wanneer hardlopers voor het eerst beginnen met minimalistic running is er een grote kans op blessures. Tijdens deze overgangsperiode moeten hardlopers een transitie maken van landen op de achtervoet naar landen op de voorvoet, en dat is niet zo makkelijk. Bij een te snelle overgangsfase komen er te snel klappen op de botten in de voorvoet, die daarop niet voorbereid zijn. Dat kan leiden tot stressfracturen (botscheurtjes die kunnen uitgroeien tot botbreuken) in de voet. Het is lastig zulke stressfracturen in een vroeg stadium op te sporen, omdat pas de échte breuken op een röntgenfoto te zien zijn. Ook pas op dat moment ontstaan pijnklachten.

Met MRI-scans van de voet zijn de voorstadia al wel te detecteren. Op die scans is beenmergoedeem te zien: een verandering in hoe het beenmerg eruitziet en een goede maat voor “stress” op de botten. Onderzoekers uit Utah en Arizona wilden onderzoeken of ervaren hardlopers, die overstappen op minimalistische schoenen, inderdaad een hoger risico hebben om zulke botscheurtjes en botbreuken te ontwikkelen. Voor het onderzoek werden 21 mannen en 15 vrouwen, allen ervaren recreatieve hardlopers, verdeeld over twee groepen: één groep bleef normale schoenen dragen, en één groep kreeg Vibram Fivefingers. Ze moesten allen hun normale afstanden blijven lopen (gemiddeld 20-40 kilometer per week) gedurende 10 weken, waarbij de Vibram-groep geleidelijk moest overstappen naar de minimalistische schoenen. Hierbij mochten de lopers zelf kiezen hoe vaak ze de Vibram-schoenen gebruikten. Zo gaat het ook als hardlopers zélf zulke schoenen aanschaffen. Wel werd de lopers gevraagd exact bij te houden hoeveel kilometers ze in gewone en Vibram-schoenen liepen.

Voor en na de periode van 10 weken werd van alle proefpersonen een MRI-scan van de voeten gemaakt waarbij gekeken werd naar beenmergoedeem. Met scores (0-4) wordt de mate van het oedeem aangegeven. Hoewel het slechts een kleine studie was, waren de verschillen groot tussen de groepen groot: in de groep gewone hardlopers werd slechts bij één van de 17 personen een toename van beenmergoedeem gevonden (score 2-4), terwijl in de Vibram-groep dit bij 10 van de 19 deelnemers gezien werd. Bij de vrouwelijke deelnemers werden meer veranderingen gezien dan bij de mannelijke deelnemers.
Een minpuntje van de studie, schrijven de onderzoekers, is dat de deelnemers in de Vibram-groep gemiddeld meer kilometers liepen dan de deelnemers met gewone schoenen, dit mochten ze namelijk zelf kiezen.  Maar toch denken de Amerikanen dat de grote verschillen veroorzaakt kunnen zijn door de snelle overgang naar de minimalistische schoenen. Ze hebben nog geen duidelijke biologische verklaringen voor hun observaties maar waarschuwen hardlopers wel: als je dan toch minimalistische schoenen wilt gebruiken, neem dan een lange overgangsperiode van meer dan tien weken en bouw heel langzaam je aantal kilometers op.

Bron:Foot Marrow Bone Edema after 10-week Transition to Minimalist Running Shoes 

donderdag 11 april 2013

Hartslagmeters in het zwembad


“Vier keer 100 meter op 60% waarvan iedere 4e baan op 80%” – zomaar een opdracht die je vaak tegen zult komen bij een zwemtraining. De meeste mensen vertalen dit naar drie banen rustig zwemmen, gevolgd door één baan een stuk sneller. Maar of je hartslag dan echt op 60% of 80% van je maximum zit, dat is niet zo duidelijk.

Veel amateursporters hebben tegenwoordig hartslagmeters, zeker hardlopers, fietsers en sportschoolbezoekers, waarmee ze makkelijk kunnen bijhouden hoe “hard” ze trainen. Echt nodig is het natuurlijk niet, maar het is wel leuk om te doen. De meeste hartslagmeters zijn ook wel waterdicht, dus je zou er prima mee kunnen zwemmen. Maar iedereen die dat wel eens geprobeerd heeft, weet dat het lastig is om tegelijkertijd te zwemmen en op je pols te kijken. Daarnaast zit de band met de meter nogal in de weg op je borst, zeker bij mannen. Kortom: je ziet zelden iemand met een hartslagmeter in het zwembad.

Voor de meeste amateurzwemmers is dit geen probleem, maar professionele zwemmers hebben er zeker baat bij om hun hartslag wat nauwkeuriger te kunnen monitoren tijdens trainingen. Zo ook Hind Hobeika, een Libanese zwemster, die zich afvroeg waarom ze op hartslagpercentages moest trainen zonder dat ze ergens kon aflezen wat haar hartslag was. De studente werktuigbouwkunde van de Universiteit in Beirut ontwierp dus maar zélf een apparaatje waarmee ze haar hartslag kon monitoren, die ze de ButterflEYEs noemde.
De hartslagmeter (bron: WiredUK)

De ButterflEYEs meten de hartslag via de slapen naast de ogen, hier loopt een groot bloedvat dat je ook zelf kunt voelen kloppen. Hiervoor maakte ze een klein apparaatje dat over elke zwembril heen past. Zo hoeft de zwemmer geen armband, borstband of apparaatje aan het oor te dragen. Om te kunnen zien wát je hartslag dan precies is, zendt het apparaatje licht uit in een bepaalde kleur: groen voor de goede hartslag, geel als de hartslag te laag is, rood als de hartslag te hoog is. Geen exacte harstlag dus, maar na het instellen van de juiste waarden heel handig om mee te trainen.

Het project heeft succes gehad, in 2011 de studenten een prijs in een Libanees TV-programma voor uitvinders, waardoor ze haar ideeën verder kon uitwerken. Met behulp van een lokaal bedrijf kon ze haar harslagmeters werkelijk in productie brengen en een marketingplan maken. De plannen zijn dat de harslagmeters, waarvan de naam nu veranderd is in Instabeat, in 2013 op de markt zullen komen voor 100-150 dollar. Via www.instabeat.me kun je je inschrijven om als eerste te weten wanneer ze op de te koop zijn. 

vrijdag 22 maart 2013

Stamt ú ook al af van de Vikingen?


Graven in je verleden – het heeft iets magisch. Uitvinden dat je afstamt van een beroemde schilder of een rijke koopman, wie wil dat nou niet? Speuren naar voorouders wordt steeds populairder; vele mensen besteden avondenlang aan online stamboomregisters en databases, maken uitstapjes naar stadsarchieven en huren professionele genealogen in. Ook mijn beide opa’s hebben zich in hun familiegeschiedenis verdiept, waardoor ik nu weet dat mijn voorouders van beide kanten al acht generaties lang uit Rotterdam komen. Veel spannenders zijn ze verder niet tegengenkomen. De populariteit van genealogie blijkt ook uit TV-series als “Who Do YouThink You Are” van de BBC en “VerborgenVerleden” van de NTR, waarin de familiegeschiedenis van een beroemdheid wordt uitgeplozen. En de laatste jaren zijn er steeds meer commerciële bedrijfjes die tegen betaling stambomen van Britten en Nederlanders uitpluizen uit op basis van hun DNA-gegevens. Dan kom je natuurlijk álles over je geschiedenis te weten, zo beloven dergelijke bedrijven. Onzin, aldus Mark Thomas, hoogleraar evolutionaire genetica aan de universiteit van Londen, en ik geef hem groot gelijk.

Genealogie en DNA
Er zijn drie soorten DNA die je kunt gebruiken voor een genealogischeDNA-test. In iedere cel in je lichaam zit het ‘gewone’ DNA met 22 autosomale chromosomen, en twee geslachtschromosomen (XX voor vrouwen en XY voor mannen). Door autosomaal DNA, dat je van beide ouders erft, te bestuderen kunnen verwantschappen onderzocht worden. Simpel gezegd geldt: hoe meer van je DNA overeenkomt met dat van een ander, hoe groter de verwantschap is. Maar het vergelijken van DNA is niet zo makkelijk als het klinkt. Ten eerste is het, ondanks next-generation-sequencing, nog steeds lastig en duur om ál je DNA te vergelijken met dat van een potentiële voorouder. Daarom wordt gebruik gemaakt van bepaalde “stukken” DNA die makkelijker te vergelijken zijn. Maar als je een flink aantal generaties terugkijkt, heb je al snel meer voorouders dan van die stukken DNA. Dat betekent dat er van bepaalde voorouders helemaal geen vergelijkbaar DNA te vinden is in je genoom, en je dus geen verwantschap kunt aantonen. Daarnaast hebben heel veel mensen die nu leven dezelfde voorouder. De huidige schatting is dat iedereen die nu leeft afstamt van één persoon die slechts 3500 jaar geleden leefde.

Omdat die verdubbeling van voorouders het onderzoek lastig maakt, wordt voor genealogisch onderzoek vaak ander DNA gebruikt. Het Y-chromosoom wordt bijvoorbeeld alleen van vaders op zonen overgegeven, daarmee kan de paternale lijn in een familie worden onderzocht. Daarnaast bevat iedere lichaamscel ook mitochondriën, een soort energiefabriekjes, die ook DNA bevatten. Mitochondriën en hun DNA worden alleen door moeders doorgegeven, en daarmee kan de maternale lijn worden achterhaald. Hiermee wordt het risico vermeden dat een vader niet altijd de biologische vader is. Mitochondriaal DNA is bijvoorbeeld gebruikt bij het onderzoek naar mogelijke nazaten van de Engelse koning RichardIII.

Vikingen & Romeinen
Voor enkele honderden euro’s kun je nu dus door een bedrijfje laten uitzoeken of jouw mitochondriaal DNA ooit voorkwam bij de Vikingen, of dat een deel van jouw Y-chromosoom al bij de Romeinen te vinden was. En dan? Voel je je dan ineens een Romein, of heb je dan eindelijk een verklaring voor je liefde voor Vikingschepen? Natuurlijk niet. Zo’n test zegt helemaal niets over hoe je je voelt of wie je bent. Daarnaast is de uitkomst van zo’n test bij veel autochtone Nederlanders vrijwel identiek, omdat we allemaal gemeenschappelijke voorouders hebben.

Mark Thomas is er duidelijk over in een stuk in de Guardian: zulke tests zijn niet alleen onzin, dergelijke “nep-wetenschap” ondermijnt vooral ook  de échte wetenschap. Het vergelijken van Y-chromosomaal en mitochondriaal DNA met dat van eerdere generaties is wel degelijk van wetenschappelijk nut, maar op een heel ander niveau. Over één persoon zegt het niet zoveel, maar met deze techniek kan wel de geschiedenis van hele populaties worden achterhaald. Ook het Britse wetenschappelijke voorlichtingsplatform SenseAbout Science waarschuwt voor dergelijke commerciële DNA-tests, en publiceerde een duidelijk overzicht waarin wordt uitgelegd waarom consumenten vooral niet in deze val moeten trappen.
De wetenschappers stellen terecht dat commerciële tests niets meer zijn dan astrologie: ze geven niet meer informatie dan de wekelijkse horoscoop in een damesblaadje. De uitkomst, zogenaamd specifiek voor jóu, is zo algemeen dat iedereen zichzelf er in kan vinden. En is er weer een tevreden klant afgeleverd, die zich ineens een echte Viking voelt.

Dit stuk verscheen op Sciencepalooza voor Volkskrant Opinie

vrijdag 8 maart 2013

Zwangere atletes: het wordt een hele bevalling

Waarschuwing: mannen vinden dit artikel misschien niet interessant, en mogelijk schokkend.

In de dameskleedkamer rees onder zwangere en ex-zwangere triatletes recent de vraag of bevallingen moeilijker zijn voor (top)sporters. Eén van de dames vertelde dat zij moelijkheden gehad had bij haar bevalling, mogelijk door té sterke bekkenspieren. Mijn buurvrouw, die fanatiek danst, vertelde een vergelijkbaar verhaal. Is dit een enkel geval, of is er experimenteel bewijs dat bevallingen moeilijker kunnen zijn voor atletische vrouwen?

Ik beloofde het uit te zoeken, maar vond verbazingwekkend weinig wetenschappelijke informatie hierover. Recreatief sporten kan juist bijdragen aan een soepele bevalling, zoveel was al langer bekend. Maar studies die topsporters en zwangerschap bestuderen, richtten zich voornamelijk op de effecten van sport op  de gezondheid van het (ongeboren) kind. Gegevens over het verloop van bevallingen bij topsporters zijn er nauwelijks.

Wat ik wel vond waren enkele studies van onderzoekers uit Auckland, in Nieuw Zeeland. Zij hadden zorgprofessionals geproken, die vermoedden dat er een relatie kon zijn tussen een moeilijke bevalling en topsporters. De onderzoekers besloten dit verschijnsel verder te bestuderen. In 2007 publiceerden ze een kleine studie waarvoor ze zorgprofessionals, zoals artsen en verloskundigen, geïnterviewd hadden over hun ervaringen bij de bevalling van topsporters. Uit deze interviews kwam naar voren dat er inderdaad vaak problemen werden geconstateerd als atletes gingen bevallen.

Deze problemen hadden zowel een fysieke als een psychologische oorzaak volgens de geïnterviewden. Ten eerste zouden atletes een zware bevalling misschien langer volhouden dan niet-atleten omdat ze gewend zijn pijn te lijden en dan toch door te gaan. Maar ook over een fysieke oorzaak werd veel gesproken: meerdere geïnterviewden vertelden dat de spieren in het bekken van atletes leken veel sterker dan bij de gemiddelde vrouw. Deze problemen traden voornamelijk op tijdens de tweede fase van de bevalling, en resulteerden in meer interventies (inknippen, pijnbestrijding, vacuum/tangbevallingen en keizersnedes) bij de atletes.

De onderzoekers wilden weten of het bekken van zulke topsporters inderdaad verschilde van gewone vrouwen. Ze hadden de beschikking over een aantal MRI-beelden van de bekkenregio van een atlete en een gewone vrouw, door andere onderzoekers al eerder gemaakt. Met deze beelden reconstrueerden ze een belangrijke spier tijdens de bevalling, de leavator ani (LA)-spier rondom de anus en de vagina. Deze spier is in onderstaand plaatje te zien: de stippellijnen zijn de omtrek van de spiergroep in de MRI-scan, de figuren onder de scan zijn een 3D-reconstructie van de spiergroep. Er is een duidelijk verschil te zien tussen atleten en niet-atleten, de eersten lijken een veel kleinere, en veel meer geconcentreerde spier te hebben.

Ook gebruikten de onderzoekers de afmetingen van het hoofd van een (gemiddelde) volgroeide baby, vlak voor de bevalling. Met deze gegevens maakten de onderzoekers een computersimulatie van een bevalling bij een gewone vrouw en een atlete. Hieruit berekenden ze de kracht die nodig is om het hoofd van de baby door de ruimte te persen. Het bleek dat de maximale kracht tijdens de tweede fase van de bevalling bij de atlete 45% hoger lag dan bij de gewone vrouw.

De studie is slechts een simulatie van één atlete en één gewone vrouw, en met de hoofdomtrek van een gemiddelde baby – er zijn natuurlijk grote individuele verschillen. Maar de onderzoekers denken dat de data wel representatief kunnen zijn voor beide groepen en zien het als een verklaring voor de geconstateerde problemen bij atletes. Ze pleiten voor meer onderzoek, wat er na 2008 nog niet veel is geweest, en roepen artsen en verloskundigen op te letten op complicaties bij de bevallingen van atletes. Misschien is het voor de gemiddelde atlete een idee om het nóg wat rustiger aan te doen tijdens de zwangerschap om de spier wat te laten rusten.

De originele artikelen zijn te online te lezen: het artikel over de zorgverleners en het artikel over de simulatie van bevallingen 

Dit artikel verscheen in de Tribune, het clubblad van triathlonvereniging GVAV te Groningen