vrijdag 4 januari 2013

DE BV IK. DE KEERZIJDE VAN DE PRESTATIEMAATSCHAPPIJ


Verslag van de debatavond op donderdag 29 november 2012 in ForumImages. Het verslag verscheen ook op de website van ForumDwarsdiep 

Door Eva Teuling - In de aankondiging van het debat over de prestatiemaatschappij en de documentaire De BV Ik werd de problematiek duidelijk verwoord: “Voor de twintigers van nu is de maatschappelijke rat race een dagelijkse realiteit. Zij zijn degenen die het de komende tijd moeten gaan maken, moeten presteren en bij de top moeten horen. Want alleen een winnaar verdient succes”. Blijkbaar leeft dit thema onder de opvallend veel aanwezige jongeren bij dit ForumDwarsdiepdebat.
De avond wordt gepresenteerd door Alial-Jaberi, die treffend begint door applaus te vrágen bij binnenkomst. Hij licht het onderwerp nog eens toe: Er wordt van jonge mensen veel gevraagd: jong weten wat je wilt, wat voor carrière je ambieert (deze moet wel  top zijn), en daarnaast mooi, getraind, bereisd en geliefd zijn.

De keerzijde hiervan is de groeiende keuzestress bij jongeren, en het minderwaardigheidscomplex dat “gewone” jongeren hebben tegenover alleskunners. Die alleskunners zijn onderwerp van de documentaire De BV Ik, van Roos van Ees, waar fragmenten van worden getoond.

De BV IK
De intro van de documentaire is veelzeggend. “Status, netwerken en ongeneneerd carriere maken. Scoren of verzuipen. Carrièredrang of -dwang? Wie niet succesvol is, is een sukkel.” Roos, twintig, heeft het gevoel dat ze haar leven aan het verpesten is als ze een gewone student is en gaat op zoek naar succes. In de documentaire komen jonge jongens met bedrijfjes aan het woord, vertelt Eric van Tijn van X-factor dat dergelijke programma’s de vraag naar succes creëren, en wordt Roos steeds onzekerder omdat ze alleen maar succesvolle twintigers ziet, die een inspiratiebron zijn en tegelijk veel druk op haar leggen.

Na afloop stelt Al-Jaberi de vraag wie zich hierin herkent. Een aantal handen gaat omhoog, waaronder die van Gert-Jan, 23. Hij heeft al zes jaar een eigen bedrijf, maar zit nu met een burnout thuis. Rik van twintig herkent zich er minder in, hij snapt de gedachtensprong die Roos maakt - er zijn succesvolle mensen, dus moet ik het ook zijn – niet, en ervaart minder druk.
Al-Jaberi introduceert de gasten. Eerst Arjen van Veelen, die klassieke talen studeerde en het boek Over Rusteloosheidschreef (een hoofdstuk, over facebook, is hier te lezen). Hij zegt dat rusteloosheid van alle tijden is, maar dat met sociale media de intensiteit veel hoger ligt dan vroeger. Ook Roos van Ees (documentairemaakster en student filosofie) is aanwezig. Al-Jaberi vraagt haar hoe ze zich nu voelt, na de documentaire. Ze zegt dat ze niet dé oplossing heeft gevonden, dat ze nog steeds gebukt gaat onder keuzestress, of levensfaalangst, zoals zij het noemt. Maar wel heeft ze meer waardering van zichzelf, die eerst te veel afhing van waardering van anderen.

Nu is ze heel trots op iets wat ze heeft gedaan: de documentaire maken. De derde gast is Henk Pijlman (bestuursvoorzitter van de Hanzehogeschool). Hij onderstreept dat hij dergelijke problemen tegenkomt bij zijn studenten, maar ook dat ze van alle tijden en alle generaties zijn. Hij, als 58-jarige, zegt dat je eerst geleefd moet hebben om zelfvertrouwen te krijgen, en dat hij nu vaker kan zeggen: dit is niets voor mij, laat maar zitten. “Maar daar heb je levenservaring voor nodig.”

Levensfaalangst
Al-Jaberi vraagt Roos om een betere beschrijving van levensfaalangst. Volgens haar is haar leven een “opgave”, waarin ze alles goed wil doen en niets wil missen, vooral nu, want straks is te laat. Maar wat haar doel is, wanneer ze kan zeggen dat ze geslaagd is, kan Roos niet goed verwoorden. Het is te abstract, en daar zit een deel van het probleem. Al-Jaberi vraagt zich af of geluk niet eigenlijk een continuüm is, waarin je aan de ene kant heel erg jezelf kunt zijn, en aan het andere uiterste een soort Noord-Korea ligt waarin alles wat je doet je door hogerhand wordt opgelegd?

Pijlman denkt dat hier wat waarheid in zit, en benadrukt dat levenskunst ook bestaat uit relativeren. Waar in de documentaire ‘ik’ centraal staat, mist hij in de omschrijving van de problematiek de binding van het individu met de omgeving. Hij zou graag zien dat deze jongeren het leven wat minder zwaar maken, met meer humor.

De prestatiemaatschappij
Uit de zaal komt de vraag waar eigenlijk de relatie met de prestatiemaatschappij is. Pijlman bedoelt dat de maatschappij veel druk oplegt, zoals ouders die van hun kinderen “sterretjes” maken, ex-topsporters die uitgepoept worden door de maatschappij. Ook wordt door de crisis en de korte studietijd veel druk gelegd op jongeren om gelijk goed te kiezen. Roos denkt dat de druk om je eigen succes te creëren komt uit de gedachte dat prestatie uit JOU komt, en dat alleen JIJ je eigen geluk maakt. Maar de vraagstelster is niet tevreden, ze vraagt zich af of die cultuuromslag er echt is, of dit eigenlijk gewoon is wat we willen?

Roos benadrukt dat er inderdaad sprake is van een luxeprobleem, maar dat haalt volgens haar het probleem niet weg. Pijlman vindt de prestatiemaatschappij niet per definitie slecht. Hij vindt het goed om jezelf te stimuleren, zowel voor jezelf als voor de maatschappij. Maar als je steeds maar blijft vergelijken met anderen, dan gaat het niet goed. Ja, benadrukt Roos, de definitie van succes is wel aan verandering of herziening toe.

Succes en vergelijken
Al-Jaberi vraagt zich af of inderdaad de inhoud van succes niet problematisch geworden is. Van Veelen onderstreept dit met een voorbeeld: vroeger ging je een rondje joggen, maar nu gebruikt iedereen een app met statistieken,  en kun je afloop je prestaties tonen via Facebook. Daardoor kun je je met iedereen vergelijken en dat zorgt voor druk. Dat kan een probleem worden wanneer hardlopen een prestatie wordt waarin je beter wilt zijn dan je buurman. Dat vergelijken is verslavend.

Volgens Roos is het is een menselijke eigenschap om gezien te willen worden, maar is dat tegenwoordig veel gemakkelijker door sociale media. En falen is not done (er is nog steeds geen dislike knop op Facebook). Al-Jaberi vraagt de zaal wie er bewust aan zijn public image werkt. Veel mensen doen dat, maar een dame uit de zaal benadrukt dat we ons vroeger ook beter voordeden dan we waren, maar dat image-building nu is veel gemakkelijker is. Vroeger, in een klein dorp, was het niet zo moeilijk om in iets het beste te zijn, maar nu moet je je met honderden mensen vergelijken. Lijden we niet aan een vergelijkingsmaatschappij in plaats van aan de prestatiemaatschappij? Juist doordat er zo veel mogelijkheden zijn om jezelf te vergelijken met anderen, kunnen mensen ongelukkig worden.

Aanpassen aan de norm
Roos ontving veel reacties op haar documentaire. Ze noemt één voorbeeld: een man van 33 die altijd gebrek aan ambitie had gehad, en altijd overal laat mee was (van fietsen zonder zijwieltjes tot afstuderen). Zijn faalangst is zo groot dat hij nergens meer aan begint. Hij heeft geen studie afgemaakt en werkt in de horeca, en is daar eigenlijk wel tevreden mee. Maar hij merkt dat hij wordt afgeschreven als niet-succesvol. Al-Jaberi vraagt zich af of social media juist niet het conformisme stimuleert, en ons steeds meer richting de Noord-Korea kant van het continuüm duwt, terwijl we denken dat we heel individueel bezig zijn.

Pijlman benadrukt het relativeren weer, we moeten volgens hem onze eigenwaarde zoeken en accepteren dat het leven niet alleen maar succes geeft. Door social media ontstaat een globalisering van het individu waarin Nederland concurreert met China, en mensen moeten zich daarin aanpassen en elkaar leren daartegen te wapenen. Wees wél ambitieus, maar relativeer alsjeblieft. Roos zegt dat ze zich aan de ene kant wil aanpassen aan een te hoge en diffuse norm, terwijl ze aan de andere kant juist eigen wil zijn. Ze weet dat ze zich eigenlijk niet moet meten aan dat kleine groepje heel succesvolle mensen, waardoor ze zich ongelukkig voelt.
Pijlman vertelt over een MBO-leerling, die in een filmpje trots zegt dat hij automonteur kon worden. Dit is tegenstrijdig met ons gevoel van meer, beter, hogerop. We zouden veel meer aan dit soort zelfvertrouwen moeten werken, volgens hem. Roos antwoordt dat juist voor jonge mensen het succes willen hebben ingebakken zit. Pijlman wordt bijna boos en houdt haar een spiegel voor: “Ze heeft een documentaire gemaakt, voor de VPRO zelfs, en ze ziet haar eigen succes nog steeds niet? Ze is succesvoller dan 98% van de wereld!” De zaal reageert met applaus.

Tegenreactie: minder presteren?
Uit de zaal komt de vraag of er geen tegenreactie ontstaat, een zoektocht naar ruimte om minder te presteren en ook gelukkig te zijn. Er is, zeker in de crisis, niet genoeg ruimte voor iederen om te presteren. Mag je ook een middelmatige functie accepteren en daarin blij zijn? Pijlman is blij met deze reactie, maar werpt tegen dat er wel degelijk ruimte is voor iedereen om te presteren. Als je tevreden bent als automonteur moet je de lat niet hoger leggen, maar willen presteren in wat je doet. Deze relativering wordt benadrukt door iemand die zich afvraagt waarom, als we het hebben over de prestatiemaatschappij, we altijd over de toekomst praten.

Ook nu, vandaag moet je presteren, juist met wat je doet. Iemand anders uit de zaal verwijt Roos dat haar documentaire vrij subjectief is, dat haar idee van prestatiegerichte twintigers wordt bevestigd door de voorbeelden die ze heeft gezocht. Zijzelf komt vaak genoeg mensen tegen die het anders doen, de documentaire schetst maar één kant van het verhaal. Van Veelen benadrukt dit, maar de gewone mensen die het rustig aan doen en lanterfanten zie je niet zo snel op tv, die worden niet zo snel beroemd. Maar die zijn er wel degelijk.

Roos benadrukt dat een waardevol beroep uitoefenen ook belangrijk is. Al-Jaberi  brengt in dat in Finland onderwijzers en verpleegsters meer verdienen, en daar meer mensen dat willen doen. Daar wordt tegen docenten opgekeken, terwijl, volgens Roos, hier docenten gezien worden als mensen die eigenlijk iets anders wilden doen. Pijlman wordt bijna boos, en zegt dat mensen die denken dat docenten geen ambitie hebben zich moeten schamen. En, volgens hem moet succes veel verder gaan dan werk. Het gaat ook om succes in het leven, in relaties, in andere activiteiten, dat net zo sterk moet tellen als werk.

CV-building en vroege keuzes
We gaan weer naar “De BV Ik”. Roos vertelt hierin dat ze heel ambitieuze meisjes heeft gesproken, met allemaal perfecte cv’s, maar niet één zegt dat ze een bestuursfuncties heeft gedaan voor het cv, maar omdat ze het leuk vonden. Een meisje vertelt dat ze alles in één keer goed wil doen. Ze is echter wel bang dat het te ver zal gaan, dat de volgende generatie het misschien nog moeilijker krijgt, en vraagt zich af of je dan niet al op je zestiende al aan cv-building moet gaan beginnen. Dat lijkt haar toch niet goed.

Al-Jaberi vertelt dat op de hogeschool waar hij lesgeeft werd besproken om misschien geen research skills en kritisch denken aan de studenten te onderwijzen omdat de de arbeidsmarkt dat niet wil. Hij schrok daarvan en vraagt zich af of het niet het onderwijs is dat de mensen onder druk zet. Pijlman zegt dat het onderwijs juist nog nooit zo veel kansen geboden heeft. Er zijn steeds meer mogelijkheden zoals stages, minors, buitenlandervaring. Al-Jaberi vraagt zich echter af of we die mogelijkheden niet overschatten, omdat juist in deze tijd mensen op steeds jongere leeftijd een keuze moeten maken: op school al vroeg een profiel, op de universiteit in één keer de juiste studie omdat er geen geld is voor een tweede... Worden we niet te snel in een hoek geduwd?

Pijlman vindt ook dat het huidige beleid veel te veel bij studenten neerlegt en dat dat niet goed is. Dat in Nederland heel vroeg keuzes gemaakt moeten worden klopt, veel eerder dan in andere landen. De “middenschool” uit de jaren zeventig is er nooit gekomen, maar misschien was dat wel goed geweest.
Reacties uit de zaal beamen dat studenten het inderdaad steeds moeilijker krijgen, en mensen zijn bang dat er studenten zullen wegvallen. Daarbij ligt de focus ook steeds meer op professionalisering, en is de tijd voor persoonlijke ontwikkeling en reflectie weg. Roos illustreert dat met haar eigen schoolkeuzes toen ze vijftien was. Ze moest overtuigd worden met verhalen over “wat kan ik ermee worden”, maar welke waarden belangrijk zijn weet een vijftienjarige nog helemaal niet. Dus heeft zij drie profielen gedaan, om de keuze open te houden. Pijlman benadrukt nog maar eens dat het beleid een beperking zal worden, dat het niet redelijk is om geen tweede studie meer te kunnen doen.  

Gemeenschapsszin
Iemand in de zaal vraagt zich af of er vrijheden zijn die we hebben verworven door het tegenhouden van de middenschool, die we nu weer kwijt willen. Roos denkt niet dat beperken van keuzes de oplossing zal zijn. Wel ziet ze steeds meer mensen die op zoek zijn naar nieuwe vormen van gemeenschapszin, juist in een individualistische samenleving. Al-Jaberi vraag zich af of mensen die steeds meer op zoek zijn naar gemeenschap zich realiseren dat in de huidige markteconomie leven in een gemeenschap niet meer mogelijk is. Roos denkt dat het juist om het persoonlijke niveau gaat, om individuele contacten met mensen. Ook zo kun je verbintenissen aangaan en gemeenschapszin creëren.
Gert-Jan van 23 wordt om reflectie gevraagd. Hij denkt aan wat Pijlman vertelde: dat hij, 58, kan zeggen: “Dit is niet voor mij weggelegd”. Dat moeten twintigers beter leren, volgens Gert-Jan. Pijlman benadrukte ook dat het niet erg is om verkeerde keuzes te maken, twintigers moeten leren dat ze daarna nog tijd hebben om dat goed te maken. Sinds zijn zeventiende is Gert-Jan alleen bezig geweest met zijn bedrijf en presteren, en nu voelt hij het moeten ontslaan van mensen als heel hard falen. Maar hij realiseert zich ook dat hij nog wel zeventig jaar heeft om daar overheen te komen. Pijlman drukt hem op het hart dat vallen en opstaan bij elkaar horen, maar dat mensen ook plezier moeten maken. Nu. Dat moeten jongeren veel meer leren om het probleem niet zo zwaar te maken.

Hoe lossen we de problemen op?
Al-Jaberi wil een happy end en vraagt de zaal: hoe lossen we de problemen op? Verschillende mooie ideeën passeren de revue. Iemand uit de zaal vertelt hoe breed ontwikkelen helpt: als hij iemand ziet die succesvoller is, denkt hij: “maar ik kan beter pianospelen”. Maar als hij iemand ziet die heel goed kan pianospelen, denkt hij: “ach, ik kan beter schaatsen”. Dat maakt gelukkig. Roos ziet een oplossing in met veel mensen contacten leggen.

Een student geneeskunde vertelt dat hij druk voelde omdat al zijn studiegenoten iets naast de studie deden (sport, tweede studie, vrijwilligerswerk), en dat hij dat allemaal wilde doen. Toen hij erop gewezen werd dat niet alles nú hoeft, maar bijvoorbeeld ieder jaar iets anders, was dat een eye-opener. Een muzikant vertelt hoe hij alleen zocht naar waardering van mensen uit de muziek, maar zich realiseerde dat wat zijn moeder vindt eigenlijk ook belangrijk is.

Een andere oplossing is om te beseffen dat steeds meer willen presteren geen lineaire beweging is, en dat er steeds meer aandacht is voor mensen die de andere kant opzoeken, het rustiger aan doen, weggaan van de social media (unfrienden was een tijdje een trend). Pijlman reflecteert dat de avond eigelijk om een zingevingsvraagstuk ging, en benadrukt nogmaals dat gemeenschap, relaties en plezier belangrijk zijn in het leven.
Voor de echte afsluiting is er nog een moment voor reflectie door de sprekers. Van Veelen wil afsluiten met een vraag: hoe kijken we terug op deze avond over tien jaar? Hebben we dan nog wel tijd voor reflectie? Nemen we niet te veel tijd om zo veel over onszelf na te denken? Hij denkt dat dit wel minder kan. Roos zegt dat ze goed is in het creëren van haar eigen ongeluk, maar dat ze juist uit kleine dingen geluk moet halen, verbintenissen aangaan met andere mensen, en samenwerken. Pijlman sluit af met de gedachte dat een mens meer is dan zijn prestaties, en alleen maar mens kan zijn in een gemeenschap.
Kortom, een interessante, interactieve avond met een jong en betrokken publiek. Door de reflecties van de oudere en wijzere Pijlman realiseren zij zich hopelijk dat ze hun problemen niet te zwaar moeten maken, en met een dosis humor in het leven moeten staan. 

woensdag 19 december 2012

Wetenschappelijk verantwoord oud worden

elderly couple
Mensen doen de raarste dingen om maar zo lang mogelijk te kunnen leven. Sommigen volgen een hongerdieet, anderen slaan iedere dag een handvol peperdure pillen achterover. Het wetenschappelijk bewijs voor dit soort methodes is echter flinterdun.
Calorische restrictie
Eén manier om het leven te rekken zou zogenaamde “calorische restrictie” (CR) zijn. Al 75 jaar is bekend dat een vermindering van de hoeveelheid calorieën bij ratten en muizen leidt tot een flinke verlenging van de levensduur. Vele wetenschappers hebben zich sindsdien gebogen over het mechanisme hierachter, wat nog steeds niet helemaal ontrafeld is, maar een handjevol mensen hebben de observatie in knaagdieren alvast rechtstreeks vertaald naar hun eigen situatie. Zij zijn ervan overtuigd dat door dagelijks 70% minder calorieën te eten dan aanbevolen, ze lang en gezond oud zullen worden. Er is zelfs een Caloric Restriction Society, die informatie geeft over onderzoek en praktische zaken aan iedereen die geïnteresseerd is in deze levensverlengende methode.
Maar echt gezond is dit natuurlijk niet. Ondervoeding, zoals door CR, kan leiden tot osteoporose, spierafbraak, onvruchtbaarheid en meer ellende. Ook is het nog maar de vraag of de rest van je leven honger lijden opweegt tegen ouder worden, maar dat terzijde. Verontrustender is dat het nog helemaal niet aangetoond is dat CR bij mensen echt tot een langer leven leidt. Dit is ook lastig te onderzoeken. Er is wel een studie gaande met mensen die vrijwillig aan CR doen, maar dit slechts een handjevol mensen. Ook is het lastig te controleren of ze allemaal exact hetzelfde eten en leven (wat bij muizen in een laboratorium veel makkelijker is). Daarnaast raadt de CR Society ook aan om vooral gezond te eten, met veel fruit en vezels. Tegenover een gemiddelde fastfoodliefhebber heb je dan al snel een decennium gewonnen.
Dertig jaar geleden is een groep onderzoekers begonnen met een studie met CR bij apen, die duidelijk meer op de mens lijken dan muizen. Deze zomer verschenen de resultaten van deze langdurige studie. Het levensverlengend effect van CR was bij de apen niet zo overduidelijk als bij muizen. Dat kan aan de studieopzet liggen,  omdat de controlegroep apen óók een gezond dieet kreeg en er daarom weinig verschil in levensduur was (zie ook commentaren hierover in VK en Nature). Maar het kan ook inhouden dat CR bij primaten geen effect heeft. Deze studie geeft dus geen wetenschappelijk bewijs dat CR levensverlengend is. Helaas voor de hongerlijders.
Pilletjes en wondermiddeltjes
Als honger lijden niet werkt, dan maar aan de pilletjes? Er bestaan tientallen, zo niet honderden, wondermiddeltjes waarvan de makers claimen dat dagelijks innemen tot een gezonde oude dag zal leiden. Vitaminepillen en tabletjes met anti-oxidanten zijn redelijk onschuldige (en goedkope) middeltjes, die echter alleen een gezondheidsbevorderend effect hebben als je heel slecht eet of langdurig ziek bent. Er bestaan echter ook veel duurdere kwakmiddeltjes, die slechts onder laboratoriumcondities in een kweekbakje met cellen hun levensverlengende functie hebben bewezen. Zulke middeltjes worden aangeprezen door serieus ogende pseudo-wetenschappers, nepartsen en rare types, zoals Ray Kurzweil, die 150 vitaminepillen per dag slikt, om zijn “biochemie te reprogrammeren”, of Aubrey de Grey die een prijs uitreikt voor wetenschappers die de langstlevende muis kunnen maken. Zij schrijven boeken en geven wereldwijd lezingen over hun pseudowetenschappelijke manieren om zo oud mogelijk te worden. Dat zij beiden van oorsprong computerwetenschappers zijn lijkt overigens niemand een probleem te vinden. Ook voor het levensverlengende effect van pilletjes, poedertjes en de strategieën van verouderingsgoeroes is nog nooit wetenschappelijk bewijs gevonden.
Ouderdom: onaantrekkelijk
Een simpele truuk om heel oud te worden bestaat volgens de wetenschap dus helemaal niet. Maar waarom zou men überhaupt heel oud willen willen? Ouderdom is helemaal niet zo leuk. Ook al is de gezonde levensverwachting voor zowel mannen als vrouwen de afgelopen decennia spectaculair gestegen (zie hier), lang niet iedereen wordt in goede gezondheid oud. Veel mensen krijgen op hogere leeftijd dementie of de ziekte van Alzheimer (ruim 40% van de mensen boven de 90 jaar heeft dementie). Kanker komt veel meer voor op oudere leeftijd (ruim 30% van de nieuwe kankergevallen is boven de 75 jaar) en ouderen hebben vaker hart-en-vaatziekten. Het uitzicht op ouderdom is eigenlijk helemaal niet zo aantrekkelijk.
Dus mensen: stop met al die pilletjes en rare hoe-word-ik-oud-diëten. Hoe saai het ook klinkt: gezond eten, niet roken en genoeg bewegen zijn nog steeds de enige wetenschappelijk bewezen methodes om zo oud mogelijk te worden en er ook nog zo gezond mogelijk bij te blijven. Daar kan geen (pseudo)-wetenschap tegenop.

donderdag 6 december 2012

Net als blote voeten


Hardlopen op blote voeten, zoals mensen al duizenden jaren doen, geeft minder kans op blessures dan hardlopen op dempende sportschoenen. Dat bleek een paar jaar geleden uit onderzoek aan de universiteit van Harvard. Ontketend door dit inzicht werd barefoot running een trend onder hardlopers.
Sportschoen-fabrikanten spelen hier handig op in door “minimalistische” schoenen te maken: slechts een dun stukje rubber onder de voetzool, waardoor het hardlopen op blote voeten zoveel mogelijk wordt gekopiëerd, maar je voeten wel beschermd zijn tegen vuil en glas op straat.

Links gewone hardloopschoenen, rechts de rocker shoes
Is lopen op minimalistische schoenen inderdaad net zo efficiënt als op blote voeten? En gaan mensen er ook anders door lopen? Dat onderzoekt promovendus Sobhan Sobhani van de afdeling revalidatiegeneeskunde van het UMCG. Daarnaast is hij geïnteresseerd in een ander soort schoenen: rocker shoes. Dit zijn schoenen met een kunstmatig dikkere, stijve zool waardoor een ander soort voetafwikkeling ontstaat. Deze schoenen worden in de revalidatiegeneeskunde gebruikt voor mensen met een pijnlijke blessure aan de voorvoet. Door te lopen op deze schoenen vermindert de druk op de voorvoet, maar het is niet duidelijk of dat tijdens hardlopen ook gebeurt.

Een advertentie in de Gezinsbode, waarin een oproep werd gedaan voor vrouwelijke duurlopers tussen de 18 en 65 jaar, bracht me bij dit onderzoek. Ik loop wel eens op blote voeten maar heb nog nooit zulke schoenen aangeschaft, dus het leek me leuk om ze eens uit te proberen. Jammer genoeg mocht ik vanwege een blessure uit het verleden niet als proefpersoon meedoen aan het onderzoek. Dat werd dus iemand anders. Maar ik mocht wel langskomen om te kijken wat ze daar doen in het  SportsFieldLab.

Als ik binnenkom zijn de voorbereidingen in volle gang: de hardloopband wordt gecalibreerd en de juiste schoenen worden opgezocht. Ik heb dezelfde maat als de proefpersoon van die dag en mag de schoenen testen. Minimalistische schoenen had ik al wel eens aangehad, maar op  rocker shoes is het moelijk lopen. Mijn voorvoet zit helemaal vast, ik moet er niet aan denken om hierop te rennen. Maar het is wel onderdeel van het onderzoek. De proefpersonen komen binnen. Ze worden na wat standaard metingen aan allerlei apparatuur aangesloten: een hartslagmeter, een zuurstofmasker en een soort tuigje dat aan de hardloopband vastzit.
Met zuurstofmasker op de looband

Ze ondergaat een strak getimed programma: 3 minuten heel rustig hardlopen gevolgd door 6 minuten wat harder lopen, 2 minuten de tijd om schoenen te wisselen, en weer opnieuw. Bij iedere nieuwe proefpersoon wordt de volgorde van schoenen willekeurig bepaald. Door zuurstofverbruik te meten kan zo uitgemaakt worden welk type schoenen het meest energie-efficiënt is.

Bij elkaar duurt het hele onderzoek voor één proefpersoon drie uur, en dan is de voorbereiding en het opruimen nog niet meegenomen. In totaal wil Sobhani achttien hardlopende vrouwen meten, dus hij is nog wel even bezig om het onderzoek af te ronden. Over de uitkomst van het onderzoek kan hij nog niets zeggen: ‘Ik begin pas met het  analyseren van de data als ik alle proefpersonen heb gemeten. En ik moet nog een artikel afmaken over een eerder onderzoek. Toen bestudeerde ik het effect van de rocker shoes op de achillespees. Daaruit bleek dat deze schoenen veel minder druk zetten op die pees. Het zou kunnen zijn dat dat helpt om  achillespeesblessures te voorkomen, onder hardlopers een bekende kwaal.’

Sobhani hoopt met zijn nieuwe onderzoek aan te tonen dat ook voor het genezen van voorvoetblessures rocker shoes kunnen helpen. Ook hoopt hij meer te weten te komen over het energieverbruik bij mimimalistische schoenen.

Dan zullen we eindelijk weten of de sportschoenen met Rearfoot Cushioning System, AbZorb Heels en EasyToneTechnology die ons al decennialang worden aangesmeerd, echt beter zijn dan onze eigen ouderwetse voeten. 

zaterdag 1 december 2012

Recensie: “Eet Mij” – over dik zijn en afvallen zonder kleurloze recepten en loze beloftes

Eet Mij is een zoektocht naar de oorsprong van obesitas. Naar de psychologie en de genetica van dik en dun, naar de invloed van de supermarkten, de media en de grote fastfoodketens, en naar de invloed van onze eigen wil op onze buikomvang. De conclusie van het boek is dat het ouderwetse idee ‘ieder pondje gaat door het mondje’ misschien aan herziening toe is. Want, volgens de twee schrijvers, Asha ten Broeke en Ronald Veldhuizen, is het helemaal niet zo simpel.
Zij illustreren dat dit aloude idee een misvatting is treffend in het eerste hoofdstuk waarin ze zichzelf voorstellen. Asha is de drukke, bezige bij, altijd in de weer met kinderen, boodschappen, het huis, en ze let op wat ze eet. Ronald zit het liefst op de bank een film te kijken, en eet daarbij liever een hele dan een halve zak chips. Asha is dik, Ronald is dun. En zo zijn ze al hun hele leven. En waarom? Daar gaan ze in het boek Eet Mij, en de bijbehorende blog (eetmij.nu), naar op zoek.
Een hoofdstuk van het boek gaat over ‘het geheim van dunne mensen’. De vraag die Asha en Ronald proberen te beantwoorden is waarom er eigenlijk nog dunne mensen bestaan in een wereld die zo vol is van verleidingen, dat het menselijke oerbrein ze niet meer kan weerstaan. Wat is hun geheim? Volgens dit boek zou dit voornamelijk in de genen zitten. Aan de hand van tweelingstudies illustreren de schrijvers dat een groot deel van hoe een lijf met eten omgaat, voorgeprogrammeerd is. Daar kun je zelf wel wat invloed op hebben, maar helemaal in de hand heb je het nooit.
Obesitas
Ook interessant zijn de beleidsaspecten rondom dik zijn die worden beschreven. Tegenwoordig wordt een BMI van 20-25 als de ‘gezonde’ marge gezien. Maar, een dikke twintig jaar geleden was de bovenmarge nog een BMI van 30. Toen kun je dus flink zwaarder zijn zonder de stempel TE DIK op je voorhoofd geplakt te krijgen.  Door de beleidsverandering werden in één klap duizenden Nederlanders te zwaar. Maar zijn ze dat ook echt? Is zwaar zijn wel zo ongezond? Volgens de schrijvers is een andere maat hard nodig, een maat die ook rekening houdt met bewegen en andere gezondheidswaarden. Een actieve dikkerd kan daarin gezonder zijn dan een bankzittende, van nature magere lat. Een BMI van 19 (één puntje te laag) is volgens de schrijvers veel ongezonder dan een BMI van 26 (één puntje te hoog).  Daar zouden beleidsmakers ook meer aandacht aan moeten besteden.
Het boek gaat ook over stigmatisering van dikke mensen. Over dat zij per definitie minder verdienen, en een minder goed sociaal leven hebben. Over hoe Asha op straat wordt aangesproken als zij haar halfjaarlijkse kroket eet, of haar kinderen een ijsje geeft. En over hoe bij ieder nieuwsbericht over obesitas, overgewicht of gezondheid, een foto van een hoofdloze dikkerd staat, zoals op de blog wordt geïllustreerd (vandaar ook de keuze voor de hoofdloze dikkerd als plaatje).
Het boek eindigt met tips voor dikke mensen om gezonder te zijn, en eventueel af te vallen. De voornaamste: ga niet voor de quick-fix, de diëten die een kilo per week beloven. Want net als in de overheidscampagne “Maak je niet dik” gewaarschuwd werd dat je vrij ongemerkt een kilo per jaar zwaarder kunt worden, geldt eigenlijk hetzelfde voor een kilo minder. Vervang één slechte gewoonte door een goede, en je raakt zo een kilo per jaar kwijt. Daar moet je wat geduld voor hebben, maar die kilo is dan ook écht weg, en het risico op het jojo-effect is drastisch verminderd. En probeer je niet te laten leiden, hoe moeilijk dat ook is, door aanbiedingen van snacks en snoep in supermarkten – 90% van die aanbiedingen zijn voor ongezonde producten. Daarmee is Eet Mij een boek over dik zijn en afvallen zonder smakeloze recepten en loze beloftes.
Ik genoot persoonlijk ook van de uitgebreide referenties, die niet zoals in wetenschappelijke artikelen midden in de tekst staan, maar aan het einde in ieder hoofdstuk, waarbij bij elke referentie ook een korte uitleg staat. Soms mét een flinke dosis humor. Het boek is verder uitgbreid met de eerder genoemde blog waar columns van de schrijvers over dit onderwerp verzameld zijn, en links naar andere websites worden opgenomen.
Kortom: voor zin en onzin over eten – Eet mij!

Deze recensie verscheen oorspronkelijk op Sciencepalooza

woensdag 21 november 2012

Wetenschap is kinderspel

Universiteiten waarschuwen er al een tijdje voor: als jongeren massaal bètastudies blijven ontwijken is er over een aantal jaar geen enkele goede Nederlandse wiskundige of natuurkundige meer over. Ondanks inspanningen van universiteiten om meer leerlingen geïnteresseerd te krijgen in natuurkunde, wiskunde en scheikunde, gaan de meesten nog steeds liever sportmanagement, mediastudies of rechten studeren. De vraag is waardoor dat komt. Is het imago van de bètawetenschap nog steeds stoffig? Of kiezen leerlingen geen bèta omdat ze niet goed weten wat je er precies mee kunt? Wat nu als je kinderen al op een jongere leeftijd, als ze het nog leuk vinden, actief bezig laat zijn met wetenschap en techniek? Zouden ze dan wel geïnteresseerd zijn wanneer de studiekeuze voor de deur staat?
Er is genoeg bewijs dat kinderen op jonge leeftijd complexe dingen goed begrijpen. In september vatte een uitgebreid artikel in Science onderzoek naar het wetenschappelijk denken bij kinderen samen. Kinderen zijn eigenlijk net wetenschappers, is de conclusie van het artikel; bij het spelen gebruiken ze dezelfde methoden voor het testen van hypotheses en theorieën. De auteurs raden dan ook aan om vrij spelen en experimenteren meer ruimte te geven op school. Als kinderen juist op jonge leeftijd ‘onderzoek’ kunnen doen, is de interesse gewekt en kiezen ze op een latere leeftijd eerder voor bèta.
Kinderen als echte wetenschappers
kinderen en wetenschapKinderen kunnen ook écht bijdragen aan wetenschappelijk onderzoek. Zo organiseerde het Science Museum in Londen een project, “Blackawton Bees”, waarin 25 kinderen van de Blackawton basisschool (8-10 jaar) samen werkten aan een onderzoek over bijen. Dat onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Biology Letters. Bovendien gaf initiatiefnemer Beau Lotto hierover een inspirerende TED-talk, samen met één van de kinderen. Lotto is ervan overtuigd dat spelen en wetenschappelijk onderzoek eigenlijk vrij dicht bij elkaar liggen. Met ‘Blackawton Bees’ demonstreert hij dat kinderen uitstekend in staat zijn om de juiste vragen te stellen en de juiste experimenten uit te denken. Het staat echter wel haaks op de trend in Nederland om onderwijs meer te structureren en meer prestatiegericht te maken.
Huiverige docenten
De enigen die “Blackawton Bees” niet leuk vonden, waren de docenten van de school. Zij geloofden eerst niet dat de kinderen in staat waren om echt wetenschappelijke experimenten te doen. Bovendien hadden ze minder controle over wat hun leerlingen aan het doen waren; heel gewoon voor wetenschappers, maar lastig voor de docenten. Misschien ligt hier een voorname oorzaak van de geringe aandacht voor wetenschap en experimenteren op de basisschool; docenten hebben er moeite mee. Niet alleen omdat ze huiverig zijn bij het idee van ‘vrij’ spelen en experimenteren, maar ook omdat ze niet opgeleid zijn om wetenschapsles te geven. Zo krijgen slimme kinderen dus weinig mogelijkheden om hun onderzoeksvaardigheden te ontplooien, zeker als ze niet kunnen meedoen aan unieke projecten.
Het uitnodigen van onderzoekers en andere professionals in de klas kan een oplossing zijn, laat een recente studie zien. Daarin lieten Amerikaanse onderzoekers studenten lessen geven in wetenschap geven aan kinderen in fourth grade (9-10 jaar) van een school in Los Angeles. De lessen duurden slechts een uur en waren vrij simpel, zoals het bekijken van objecten door de microscoop. De lessen waren zeer effectief: wanneer leerlingen in één jaar 10 uur science education kregen, scoorden zij beter op testen voor wiskunde en taal. En mogelijk nog belangrijker: de leerlingen beoordeelden wetenschap als “leuk”. Science was niet langer een werkje of schoolopdracht, maar iets waar je met plezier mee bezig kunt zijn. Of dit ook leidt tot latere keuze voor bèta-studies is natuurlijk nog niet duidelijk, maar de interesse is in ieder geval gewekt.
Als zo’n simpel experiment op een achterstandsschool in de VS er al toe kan leiden dat leerlingen wetenschap leuk gaan vinden, is er ook in Nederland nog een grote slag te maken. Meer en uitgebreidere programma’s voor wetenschap en techniek op de basisschool zouden helpen om kinderen op een jonge leeftijd – wanneer ze nog intrinsiek in alles geïnteresseerd zijn – in aanraking te laten komen met onderzoek. En dat hoeven de docenten op de basisschool heus niet zelf allemaal te doen, juist onderzoekers, studenten en professionals zijn hiervoor prima geschikt. In Nederland bestaan bijvoorbeeld wetenschapsknooppunten, andere initiatieven en bedrijven die juist dit soort lessen organiseren. Het enige wat de docenten hoeven te doen, is achterover leunen, en accepteren dat hun leerlingen met iets bezig zijn, waar ze geen grip op hebben.

Dit artikel verscheen op Volkskrant Opinie en Sciencepalooza

donderdag 8 november 2012

T-shirt met vochtsensor om uitdroging te meten.

Eerder op deze blog beweerde ik dat het onzin is om continu water of sportdrank te drinken tijdens een normale looptraining. Maar als het erg warm is, je een lange duurloop aan het doen bent, of gewoon heel veel zweet, kun je op een gegeven moment tóch uitgedroogd raken. Hoe weet je nu of je je dorst moet negeren, of dat je tóch maar beter even wat moet gaan drinken? Nu doe je dat gewoon “op gevoel” maar wie weet komt daar binnenkort iets nieuws voor: een t-shirt dat uitdroging kan meten.

Zogenaamde “smart clothing” (slimme kleding) is al een tijdje een trend in de mode- en techniekwereld. Kunstenaars en mode-ontwerpers maken in samenwerking met wetenschappers, bijvoorbeeld kleding met lampjes, stoffen die reageren op aanraking, enzovoorts. Over het algemeen zijn dit voornamelijk kunstprojecten of leuke gadgets. Maar dat je met smart clothing ook écht nuttige dingen kunt doen, bewijzen Italiaanse onderzoekers nu met vocht- en zoutmeters in katoenvezels.

Katoenvezels zijn al eerder gemodificeerd tot elektronische sensoren, maar tot nu toe waren die sensoren alleen geschikt om zoutconcentraties te meten in een gel of een vaste stoffen. De italiaanse onderzoekers hebben dit proces nu zodanig weten aan te passen, dat de katoenvezels ook vloeistoffen kunnen meten. Dit deden ze door gewoon katoengaren te impregneren met een polymeer (genaamd: p-type conductive poly(3,4-ethylenedioxythiophene) doped with poly(styrene sulfonate) (oftewel PEDOT:PSS)). Hierdoor ontstond een katoendraadje dat wél stroom kan geleiden, maar ook nog zo flexibel is dat het gewoon ingenaaid kan worden in normale kleding.


De donkere draad in de foto is de geïmpregneerde katoendraad, het metaaldraadje de elektrode waardoor de zoutconcentratie in de druppel gemeten kan worden.

De onderzoekers maakten als proof-of-concept een kledingstuk met deze draadjes, en lieten deze dragen door hardlopers. Ze zagen dat de gemeten zoutconcentratie in het zweet van de hardlopers na 40 minuten lopen hoger was dan na 10 minuten, waarmee ze bewijzen dat de metingen betrouwbaar zijn. In de praktijk kan zo’n t-shirt dus inderdaad werken om uitdroging bij sporters te meten. Ze willen nog een stapje verder gaan, en de techniek ook toepasbaar maken voor de zorg. Bij bijvoorbeeld bewusteloze of comateuze patiënten kan de kleding dan aangeven of een patiënt genoeg vocht binnenkrijgt of niet.

Helemaal waterdicht is het systeem  nog niet. Ook al is het maken van het speciale katoengaren vrij simpel, en kan het makkelijk in grote hoeveelheden geproduceerd worden, zijn er nog een aantal hordes die genomen moeten worden om het écht op grote schaal toe te passen. Het polymeer PEDOT:PSS is nog niet heel erg stabiel, waardoor het kledingstuk al snel niet meer goed zal werken. Ook heeft het polymeer een hoge zuurgraad, dat het katoen van het kledingstuk kan aantasten, waardoor je na een tijdje een t-shirt met gaten overhoudt.

Maar desalniettemin is dit een mooie ontwikkeling voor hardlopers. In de toekomst hebben we geen trainer meer nodig die ons vertelt dat we niet mogen drinken tijdens het hardlopen, maar kunnen we wijzen naar ons t-shirt: zie je wel, ik heb dorst!

Dit artikel verscheen in de Tribune - clubblad van Triatlonvereniging GVAV te Groningen

Bronnen: ChemistryWorld en C2W 

zondag 4 november 2012

Wat is Wetenschap eigenlijk? - luistertip

Het wetenschappelijke radio-programma “Labyrint” van de VPRO, waarin wekelijks een uur lang gepraat wordt over nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, heeft ook een korte rubriek waarin ze mensen op straat de vraag stellen: “Wat is Wetenschap”?

Mensen noemen vaak medische vooruitgang en technische hoogstandjes, dingen die ons allemaal aangaan én er inderdaad niet zouden zijn zonder wetenschap. Maar soms zijn de antwoorden zowel lachwekkend als verontrustend. Veel mensen hebben écht geen passend antwoord op deze vraag, ook niet na lang nadenken. Soms noemen ze voorbeelden die mensen angst aanjagen, hebben het over science ficiton, beginnen hard te lachen of hebben het over “mensen die alles denken te weten”.

Het concept wetenschap blijkt behoorlijk onbekend. Waarom weten mensen niet eens wat wetenschap is, terwijl ze dagelijks met alle uitkomsten van wetenschap geconfronteerd worden en niet zouden kunnen leven zonder wetenschap? Wie het weet mag het zeggen.