zondag 6 november 2011

Het sportersgen?

De ene sporter kan na een jaar de top bereiken en een andere is na 10 jaar trainen nog steeds een middelmatige amateur. Waar ligt dit aan? Doorzettingsvermogen? Kwaliteit van de training? Mogelijkheden om te sporten? Lichaamsbouw? Voeding? Aanleg? Genen? Het meest waarschijnlijke antwoord is: een combinatie van al deze aspecten. Als je heel veel traint, maar geen aanleg hebt, zul je nooit een goede sprinter worden. En al heb je de perfecte bouw voor een marathonloper, wanneer je op de bank blijft zitten kom je zeker niet in de buurt van dat nieuwe wereldrecord.

Dat genetische aanleg zeker een grote rol speelt is wel duidelijk. Jamaicanen zijn bijvoorbeeld veel betere sprinters dan de gemiddelde Nederlander. Er zou dus een genetische factor te vinden moeten zijn die Jamaicanen wel hebben en Nederlanders niet. Sportonderzoekers zijn al jaren op zoek naar het “sprintersgen”, maar hebben tot nu toe de perfecte bron niet gevonden. Waarom is dit zo moeilijk?

Dit komt omdat de meeste eigenschappen niet door slechts één gen veroorzaakt worden. Neem een ander voorbeeld, zoals lengte. Lengte is duidelijk erfelijk, maar “het” gen voor lengte bestaat niet. In totaal zijn er al 300.000 1-letter-variaties in het DNA (single nucleotide polymorphisms of SNPs) gevonden die lengte beïnvloeden. Heb je veel van de lange variaties, zul je waarschijnlijk lang worden, heb je veel van de korte variaties, blijf je meestal kort. Maar al zou je bij een kind alle 300.000 van deze SNPs bekijken, kun je nog niet met zekerheid zeggen hoe lang deze persoon zal worden.

Zo zit het ook met sportersgenen: heel veel 1-letter-variaties in het DNA dragen bij aan je aanleg voor sport. Genetische variatie bepaalt ook hoe gevoelig je bent voor training. Sommige mensen worden snel veel beter door training, terwijl anderen nauwelijks baat hebben bij hetzelfde trainingsregime. Bij een groot onderzoek met bijna 500 ongetrainde sporters kregen sommige sporters na maanden van training nauwelijks een betere conditie, terwijl anderen snel een veel betere conditie hadden. Met behulp van genetisch onderzoek werd gevonden dat er 21 1-letter-variates verantwoordelijk waren voor 50% van de verschillen in reactie op training. In andere woorden: als je van iemand alle DNA-letters op de 21 plaatsten weet, kun je met 50% zekerheid zeggen of iemand goed of minder goed op training zal reageren. (http://bit.ly/oloOWq)

Er bestaan genetische testen waarmee je kunt uitzoeken of jouw kind een sprinter of lange-afstandsloper wordt (van Atlas Sports Genetics). Zulke testen kijken naar variaties in het gen ACTN3, maar de DNA-variatie in dit gen bepaalt slechts een heel klein beetje van de sportprestatie. Alleen bij hele goede sporters kan de ene of de andere variatie bepalen of iemand een echte goede of een iets minder goede sprinter zal worden (lees ook verder hierover). Kortom, de genetica van sport is niet zo makkelijk en door een genetische test bepalen welke sport je kind moet gaan doen om goed te presteren is voorlopig nog onzin. Laat je kinderen voornamelijk de sport doen die ze leuk vinden, of geen sport als ze liever op pianoles gaan. En, als je als volwassene na jarenlang hard trainen nóg geen topsporter bent, vergeet het dan maar. Daar kan geen genetica tegenop.

Dit is een verkorte weergave van een interessante blog “The Science of Sport”: Training, talent, 10.000 hours and the genes, geschreven door twee Australische sportonderzoekers.

Deze blog verscheen in de Tribune, het clubblad van triatlonvereniging GVAV in Groningen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen