maandag 3 oktober 2011

Slimme meisjes/domme jongens. Of andersom?



Keiharde cijfers van de Inspectie voor het Onderwijs: meer meisjes op het VWO, meer meisjes op de universiteit. Meisjes zijn bezig aan een grote inhaalslag tegenover jongens. Waarom doen jongens het slechter? Ligt het aan de feminisering van het onderwijs? Aan de verschillende ontwikkeling ven het brein (de biologie dus)? Aan de andere stimulans die meisjes krijgen? Aan het huidige onderwijssysteem? Onderwijsdeskundigen en wetenschappers breken zich hier het hoofd over en verhitte discussies over gescheiden onderwijs worden breed uitgemeten in de media.

Tijdens dit eerste Groningse Kenniscafé van het nieuwe seizoen probeert Bart van de Laar antwoord te krijgen op deze vragen van 3 professionals: Roel Bosker, hoogleraar onderwijskunde en directeur van het GION, het Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs, Greetje Timmerman, adjunct-hoogleraar Jeugd als sociaal verschijnsel bij de afdeling Pedagogische Wetenschappen en docent genderstudies aan de RUG; en Hanke Korpershoek, onderzoeker en docent aan de RUG, onlangs gepromoveerd op haar onderzoek naar bètatalent in Nederland. Als zij geen antwoorden hebben, dan heeft niemand ze...

Ondanks de mooiste zomerdag van het hele jaar, zit de zaal goed gevuld. Voornamelijk met professionals uit het onderwijs, zoals blijkt wanneer Greetje Timmerman dit vraagt aan de zaal. Maar ondanks, of misschien juist dankzij, deze achtergrondkennis van het publiek zijn er veel vragen uit de zaal en komt er een goede discussie op gang.

Na een korte introductieifilm (een stukje van de UP-documentaire, over Britse kinderen die iedere 7 jaar geïnterviewd werden over hun toekomstplannen) legt Roel Bosker de 3 determinanten van onderwijssucces uit; namelijk; sexe, ethniciteit en milieu van herkomst. Ondanks de individualisering van de maatschappij heeft nog steeds de omgeving de grootste invloed op schoolkeuze en vervolgonderwijs. De enige manier om dit proces te sturen, volgens Roel Bosker, is door de onderwijsorganisatie aan te passen. In Nederland houden we van orde, en stoppen we graag dingen en personen in hokjes, en dit zie je ook terug in het onderwijs. Vanaf 12 jaar worden kinderen op niveau gescheiden, en op deze manier blijven kinderen dichter bij hun herkomst dan in bijvoorbeeld Scandinavische landen waar de scheiding pas rond het 15e jaar wordt gemaakt.

Een andere aspect van de structurering van het onderwijs is de profielkeuze. Al in de derde klas, wanneer de meeste leerlingen eigenlijk nog geen idee hebben wat ze willen doen, moet een keuze gemaakt worden die bepalend kan zijn voor een vervolgcarrière. Slechts weinig meisjes kiezen het meeste technische profiel, Natuur en Techniek (NT), waardoor voor hen het volgen van een beta-opleidingen eigenlijk al uitgesloten is. Hanke Korpershoek heeft onderzoek gedaan naar deze keuzes en zij zag dat het voor jongens op die leeftijd heel normaal is om een NT profiel te kiezen, ook al zijn ze niet eens zo goed in beta-vakken. Meisjes daarentegen, kiezen dit profiel alléén als ze echt heel goed zijn in wiskunde. Waar heeft dit mee te maken? Is het zelfvertrouwen van meisjes kleiner? Zijn jongens nonchalanter in hun keuzes en denken ze dat ze het wel kunnen? Of ligt het aan de grote media-aandacht voor deze jongens-meisjes verschillen? Hanke Korpershoek vermoedt dat inderdaad de aandacht van de media deels het verschil in stand houdt. Het lijkt er echter wel op dat meisjes de keuze voor zo’n profiel bewuster maken, omdat van de NT-leerlingen procentueel meer meisjes dan jongens ook echt een bèta-studie vervolgen.

Greetje Timmerman denkt dat groepsdruk zeker de profielkeuze kan beïnvloeden. Niet alleen van medeleerlingen, ook leerkrachten kunnen onbewust het verwachtingspatroon onderstrepen doordat ze niet snel zullen denken dat meisjes goed zijn in bèta-vakken. Ook is volgens Timmerman de profielkeuze op zo’n jonge leeftijd vaker een negatieve dan een positieve keuze: jongens kiezen niet wat ze niet leuk vinden (talen), dus NT, en meisjes kiezen niet wat ze niet leuk vinden, dus geen NT.

Maar dit is niet iets van de laatste tijd, meisjes zijn altijd beter geweest in talen, jongens altijd beter in rekenen. Het nieuwe is dat momenteel meisjes het VWO en het hoger onderwijs overbevolken. Dit lijkt een wereldwijde trend te zijn. Meisjes zijn hard bezig met een inhaalslag tegenover jongens en worden steeds hoger opgeleid. Hoe dit komt is nog niet duidelijk, komt het omdat er steeds meer vrouwelijke docenten zijn (door de feminisering van het onderwijs)? Greetje Timmerman heeft dit onderzocht en zegt dat er geen verschil is in aanpak van lesgeven tussen mannelijke en vrouwelijke docenten.

De manier van lesgeven dan? Is projectgericht onderwijs, en zelfstandig werken, zoals gedaan wordt in de basisvorming, niet meer iets voor meisjes dan jongens? Dat kan, meisjes zijn veel ijveriger dan jongens, en zullen minder snel “stoer” opscheppen dat ze weinig hebben gestudeerd voor een tentamen. Maar volgens een toeschouwer uit de zaal is deze manier van onderwijs eigenlijk funest voor alle kinderen, zowel jongens als meisjes. Dus of jongens hier meer last van hebben, is niet duidelijk.

Verschil in IQ is er ook niet tussen jongens en meisjes, er is ook geen verschil in spreiding van IQ. Er zijn wel degelijk ontwikkelingsverschillen, bepaald door een verschillende biologie van jongens en meisjes. Helaas durft geen van de sprekers het aan in te gaan op een vraag uit de zaal over hersenverschillen tussen jongens en meisjes. Dat is meer iets voor biologen, vinden ze. Jammer, want als bioloog denk ik dat juist de discussie tussen hersenonderzoekers (biologen) en onderwijskundigen/beleidsmakers kan helpen om de oorzaak van verschillen tussen jongens en meisjes kan blootleggen.

De conclusie van dit eerste Kenniscafé? We weten nog steeds niet waarom meisjes het beter doen dan jongens. Het algemene onderwijsniveau van Nederlanders is vergeleken met andere landen nog steeds goed, dus moeten we er ons eigenlijk wel zo druk om maken? En, zoals Hanke opmerkt, in salarissen of banen later is het verschil in opleidingsniveau niet terug te zien, het lijkt het zelfs andersom te zijn. Mannen verdienen nog steeds meer dan vrouwen, zelfs met een lagere opleiding. Dus wie is hier nu slimmer? Toch de jongens? Over een decennium of twee zullen we zien hoe al deze hoger opgeleide vrouwen, waar we ons nu zo druk over maken, het doen op de arbeidsmarkt. Nu zouden de sprekers een hypothetisch half miljoen voor onderzoek liever gebruiken om manieren te vinden om ongebruikt talent in bijvoorbeeld achterstandsgebieden, beter tot zijn recht te laten komen. Van zowel jongens als meisjes.

Eva Teuling

Voor meer informatie over het Kenniscafe in Groningen: zie de website van Studium Generale

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen