zaterdag 13 oktober 2012

Debatverslag: Zijn wij ons Brein?


Verslag van een driedubbel uitverkocht debat van het ForumDwarsDiep, 9 sept 2012.

Van het boek “Wij zijn ons brein” van emeritus hoogleraar Neurobiologie Dick Swaab zijn inmiddels 350.000 stuks verkocht. Ook andere hersenboeken, zoals “De Vrije Wil Bestaat Niet” van Victor Lamme, doen het goed bij lezend Nederland. In de lijn van dit succes was ook het debat “Zijn wij ons brein”, waarin Swaab in discussie gaat met Herman van Praag (emeritus hoogleraar Psychiatrie), Marc Slors (hoogleraar Cognitiefilosofie) en Asha ten Broeke (Trouw-wetenschapsjournalist) binnen drie weken uitverkocht, en ook de live-stream in een van de andere zalen van ForumImages was volgereserveerd.

Hersenwetenschappen: deterministisch of de belofte van maakbaarheid
Debatleider Hans Harbers opent de avond met de vraag waarom men massaal boeken over hersenwetenschappen koopt. Is het het spannende van in de schedel kijken? Zijn het de beloftes van de neurowetenschappen om hersenziektes te kunnen genezen? Is het omdat de boeken (deels) beangstigend zijn? Hersenboeken doen claims die verder gaan dan een correlatie tussen een beweging van de voet en activiteit in de hersenen. Alleen al de titel, “Wij zijn ons brein” is een dergelijke claim. Waar blijft de geest dan, het onderbewuste? Zijn wij dan ook ons lichaam? En wat als de vrije wil niet bestaat, kan de mens dan wel verantwoordelijkheden nemen? Is dit niet te deterministitsch? Maar de successen van de hersenwetenschappen beloven juist maakbaarheid: het ingrijpen in de hersenen om ziektes draagbaarder te maken. Deze vragen zullen tijdens de avond aan bod komen.

Swaab: waarom wij ons brein zijn
Dick Swaab komt als eerste aan het woord. Terwijl neurobiologen vroeger zochten naar afwijkingen in de hersenen, zegt hij, wordt de neurobiologie steeds meer een zoektocht naar onszelf. En dat interesseert de mens. Ook daarom zijn hersenwetenschappen zo “in”.
Swaab geeft, net als in zijn boek, voorbeelden waarmee hij zijn stelling dat wij ons brein zijn onderstreept. Door amputeren of transplanteren van ledematen of organen, zegt hij, verandert een mens niet. Swaab verklaart dit door hersenveranderingen tijdens de ontwikkeling, in de baarmoeder. Tot het vierde levensjaar vindt er volop hersenontwikkeling plaatsvindt, maar daarmee moeten we het doen voor de rest van ons leven. Veel aspecten van het menselijk gedrag worden al vroeg in de baarmoeder vastgelegd: zoals gender-identiteit, seksuele oriëntatie, aanleg voor anti-sociaal gedrag, aanleg voor schizofrenie, depressies en verslaving. De opvoeding heeft daar slechts geringe invloed op. Ook spiritualiteit, de aanleg voor religiositeit, is grotendeels genetisch bepaald. Religieuze ervaringen kunnen worden opgewekt door elektrische stimulaties, maar ook door ziektes als epileptische aanvallen en hersentumoren. Bepaalde religieuze ervaringen uit de Bijbel, zoals Paulus die door te bidden weer kon zien nadat hij blind was geworden, kunnen uit de hersenwetenschap verklaard worden. Paulus had waarschijnlijk een epileptische aanval waardoor hij – slechts tijdelijk - blind werd. Dergelijke ervaringen ontstaan ook als de hersenen te weinig prikkels ontvangen. Bij een zeeman die wekenlang alleen water en een horizon ziet, gaan de hersens op een bepaald moment het gebrek aan beelden invullen waardoor hallucinaties ontstaan. En zo zijn er meer voorbeelden.

Religie en het brein
Religie is een van de punten waarop atheïst Swaab veel wordt aangevallen. Zijn opponent Van Praag noemde Swaab abnormaal door zijn atheïsme. Ook kreeg Swaab een boek retour, waarin stond: “Geachte heer Swaab, hierbij een gedeelte van uw boek retour, de rest is door de schredder, jammer van het geld, had ik beter aan Leger des Heils kunnen geven.” Uit het publiek heeft zeventig procent het boek van Swaab gekocht, vijftig procent zegt het ook helemaal gelezen te hebben – wat debatleider Harbers meevalt, aangezien populaire boeken vaak wél gekocht maar niet gelezen worden.
Swaab illustreert met getallen dat hij als atheïst niet abnormaal is. In Nederland gelooft 24% van de mensen in God (in de VS 95%), maar 44% van de hoogleraren is atheïst. Verder: minder dan 1% van de Nobelprijswinnaars is gelovig. Swaab ziet hierin een negatieve correlatie tussen religie en intelligentie. Maar aangezien er zoveel mensen religieus zijn moet er evolutionair voordeel aan zitten. Volgens Swaab zou religie nu geen evolutionair voordeel meer hebben. Daarmee sluit hij zijn verhaal af.

Van Praag: “God maakte Adam uit stof en blies hem levensadem in de neus”
Herman van Praag is een van de grootste criticasters van Swaab. Hij begint zijn betoog met een samenvatting van het neuraal determinisme, waar Swaab aanhanger van is. Dit stelt dat alles wat een mens een mens maakt bepaald zou zijn door de hersenen en vertaalbaar zou zijn naar hersenfuncties. De geest is hierbij een overbodig construct.
In Genesis stond “want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”, maar met daarna  “God maakte Adam uit stof en blies hem levensadem in de neus”. Gods adem was nodig om de materie, stof, tot mens te maken. Dat is de visie van Van Praag, haaks op het neuraal determinisme: “We zijn er dankzij ons brein, maar wij zijn niet ons brein. Wij zijn onze geest, die is onze eigenheid, identiteit, authenticiteit. Het is wat voor mens u bent, welke ambities, verwachtingen en hoop u heeft. Dat maakt u uniek. En dát vindt u niet terug in de hersenen.”
Het determinisme zegt dat de mens slechts beschikt over een kleine eigen wil, en onze hersenen autonoom regeren, waardoor de mens beperkt verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn daden. Volgens Swaab zijn we voorgeprogrammeerd, wat hij in zijn boek met experimenten geïllustreerd heeft. Zoals een persoon, bij wie al voor hijzelf meent een beslissing te hebben genomen, verandering te registreren zijn in de hersenen. “We denken dat we zelf beslissen maar ons brein heeft allang besloten”, aldus Swaab.
Van Praag is het hier niet mee eens. Ten eerste denkt hij dat de hersenen maar voor een deel zijn voorgeprogrammeerd, dat het programmeren het hele leven doorgaat; door leren, afleren, veranderingen van karakter. Ten tweede vindt hij de conclusies uit die experimenten prematuur. “Aan alle beslissingen gaan deliberaties vooraf. Als u koffie krijgt aangeboden kunt u denken: ik heb wel trek in koffie, maar heb al veel koffie gehad, dus zeg ik nee. Dát is die hersenactiviteit die voorafgaat aan een beslissing die gemeten wordt. Maar u neemt die beslissing.” Ten derde is hij het niet eens met de stelling dat religiositeit een staat van het brein is. De behoefte aan religie ligt op psychologisch niveau – God heeft voor een religieus mens belangrijke functies: die is een zinnebeeld van creativiteit en moraliteit en een toetssteen voor het eigen gedrag. Zonder hersenen zou dit niet bestaan, maar de hersenen blijven intermediair tussen de religieuze behoefte en de bevrediging daarvan.

Religie als een moral holiday
Van Praag komt Swaab op één punt tegemoet: hij noemde atheïsme abnormaal , en geen afwijking, en bedoelt daarmee “anders dan het normgedrag”. Volgens Van Praag is het in intellectuele kringen “not done” om uit te komen voor je religie, men schaamt zich ervoor, en is dit een verklaring waarom weinig hoogleraren zeggen religieus te zijn. De Amerikaanse filosoof William James, aangehaald door Harbers, staat veel toleranter tegenover religie dan Swaab. Volgens deze filosoof gebruiken veel mensen God als een vorm van “moral holiday”, waardoor ze zelf even niet meer na te hoeven denken.

Zijn wij ons brein – is dat een issue?
De derde spreker is filosoof Marc Slors. Zal hij een middenpositie tussen de twee innemen? Zelf heeft Slors geen probleem met de titel “Wij zijn ons brein” – dit is volgens hem een non-issue – als Swaab zegt dat de geest geproduceerd wordt door de hersens, houdt dat niet in dat de geest gereduceerd kan worden tot de hersenen.
Volgens Slors houdt vrije wil in dat we opties hebben om uit te kiezen, en dat als we een keuze maken het onze eigen keuze is, niet een die gemaakt wordt door externe factoren of interne pathologie. Hersenwetenschappen gaan over de onbewuste hersenprocessen en de genen die de keuzes beïnvloeden.
Slors denkt dat de gedachte dat wij ons bewustzijn zijn een overtheoretisering is van onszelf. Onze dagelijkse handelingen komen niet voort uit allemaal bewuste processen, maar vanuit de “kwebbeldoos” die Lamme beschreef (“the interpreter”). Wij proberen de hele dag chocola te maken van wie we zijn. Als in je genen vastligt van welke muziek je houdt, is dat van jou. “Ik ben mijn brein” houdt in dat ook alle onbewuste dingen die ik doe van mij zijn.

De evolutionaire voordelen van religie
Na de drie sprekers begint de discussie met Swaab die blij is slechts “abnormaal” genoemd te zijn door Van Praag. Religie is een interessante illustratie van het “wij-zijn-ons-brein”- en het “vrije-wil”-idee, vervolgt Harbers. Religie heeft evolutionaire voordelen - gehad, voegt Swaab toe. Maar hoe kan Swaab denken dat religie voorgeprogrammeerd is, terwijl hij ook een pleidooi geeft om ermee te stoppen? Swaab vergelijkt dit met agressie: dit had een evolutionair voordeel, maar nu niet meer, dus er is ruimte om eraf te stappen. Van Praag denkt dat religie bij de moderne mens uit vrije wil komt. Maar hoe verklaart Swaab dan uit evolutionair perspectief de niet-gelovigheid van hoogleraren? Swaab herhaalt zijn eerdere visie, van een gedeeltelijk genetische spiritualiteit die wordt ingevuld afhankelijk van de omgeving waarin men opgroeit. Zonder sociale druk om spiritualiteit te beleven, gaan mensen ontkerkelijken. Hoogleraren hebben volgens Swaab die context wel, maar die aanleg niet.
Slors luistert toe en verklaart dat hij eigenlijk geen tegenstelling tussen de twee ziet. Hij hoort de heren hetzelfde proces beschrijven, Van Praag van binnenuit en Swaab van buitenaf. Swaab wil zich afhouden van het idee dat religiositeit nodig is voor creativiteit en moraliteit, net als zingeving, want dan kan ook als atheïst. De basis van moreel gedrag vinden we al bij apen en dat moet de religie niet claimen.
Aangezien het debat mede georganiseerd wordt door het Kerkelijk Oecomenisch Overleg Zuid-Groningen vraagt Harbers de zaal wie er gelovig is. Dat zijn slechts een handjevol mensen, en niemand wil verdedigen dat zonder religie het leven zinloos is. Dat zou Swaab gelijk geven, maar Van Praag bedoelde dat bij gelovigen God een toetssteen voor gedrag is, maar niet de enige bron van moraliteit, zingeving en creativiteit. Slors is het eens met Swaab, in dat moraliteit er eerst is en religie dit kan articuleren.
Maar – zijn wij ons brein nu wel of niet?
Terug naar de titel, “wij zijn ons brein” - hoe controversieel is dat eigenlijk? Slors herhaalt dat dit wel meevallt. Hersenen zijn heel erg belangrijk, maar de filosoof verbaast zich over de controverse over iets dat niet echt een punt is. Harbers vindt de stelling veel te reductionistisch – als ik mijn brein ben, zegt hij, en ik kan fietsen, kan mijn brein dan fietsen? Natuurlijk niet, maar een hersencel kan wel beslissingen maken, antwoordt Swaab. Volgens Van Praag zijn neurobiologie en psychologie heel aparte vakgebeiden en lopen we voorbij aan het kernmysterie: wie is die ik? Die hersenen? De homunculus? Die hebben we nooit gevonden, en ook dit blijft een mysterie, denkt Van Praag. Maar volgens Swaab is er wel degelijk veel te zeggen over zelfbewustzijn, wat een dynamisch proces vanuit onze zintuigen is, en een interactie met de omgeving die wordt geïntegreerd in de hersenen. Hij denkt dat de neurowetenschappen het mysterie wel kunnen oplossen.

De roodkeelsialia en de omgeving
Bijna een halfuur te laat start Asha ten Broeke haar column. Zij is het niet eens Swaabs claim dat seksuele geaardheid en mannelijk/vrouwelijkheid  al in de baarmoeder vastgeled is. Aan de hand van een vogeltje, de roodkeelsialia (met blauwe veren) demonstreert ze hoe de omgeving gedrag bepaalt. “Normaal ruilen de mannetjessialia’s nestplekken voor seks, waarbij er ook mannetjes zonder nest overblijven. Sommige mensen vonden dat zielig en maakten nestkastjes, waardoor de vrouwtjes vervolgens meer eisen gingen stellen, en ze alleen de beste vaders als partners wilden. Dit gooide de hele vogelpopulatie omver.”
Ze gebruikt dit voorbeeld om te illustreren dat de omgeving bepaalt wie we zijn. Echter, volgens Swaab spelen meisjes met poppen om hen op latere leeftijd voor te bereiden op het leven. Swaab illustreerde dit in zijn boek met een experiment met aapjes die jongens-en meisjesspeelgoed kregen, waarvan de conclusie Swaabs stelling onderschrijft. Die studie is volgens Ten Broeke behoorlijk slecht uitgevoerd; een speelgoedpannetje werd bijvoorbeeld ingedeeld bij meisjesspeelgoed, maar waarom zou dat zo zijn voor een aap?
Homoseksualiteit en genderrolverdeling zijn ook niet overal hetzelfde. Er zijn volkeren waarbij vrouwen jagen en mannen op kinderen passen, en volken waarbij pubervrouwen vissen en puberjongens op de kleine zusjes passen. Volgens weer een ander volk is seks is niet gekoppeld aan genot, maar puur nuttig voor voortplanting.
Westerse onderzoekers zijn hersentechnisch de uitzondering volgens Ten Broeke, en aangezien bijna alle kennis over ons brein voortkomt uit onderzoek met blanke, westerse, hoogopgeleide proefpersonen (psychologiestudenten) worden die effecten enorm overschat. Wij zijn dan misschien ons brein, concludeert ze, maar ons brein is een cultureel orgaan. Het is geen nature, maar nurture. Niet de biologie, maar de omgeving die ons gedrag bepaalt.

“De tegenstelling nature/nurture is achterhaald”
Swaab vindt de tegenstelling nature/nurture behoorlijk achterhaald. Volgens hem vindt de ontwikkeling van het brein plaats door zowel genetische achtergrond en omgeving, en die interactie is cruciaal. Hij geeft voorbeelden van mensen die van sekse zijn veranderd, hoe door een mislukte operatie en vervolgens een penisamputatie een jongen een meisje werd gemaakt, maar geen enkele psychologische hulp en hormoontherapie konden van deze jongen een vrouw maken. Ten Broeke heeft een ander voorbeeld, maar volgens Swaab zijn er slechts vier gevalsbeschrijvingen, waarvan er drie zijn mislukt en één persoon biseksueel is geworden.
Harbers brengt de discussie terug op het punt: is brein versus geest gekoppeld aan noodzaak versus vrije wil, en aan nature versus nurture? Van Praag ziet een medestander in Ten Broeke, in zijn idee dat de interactie tussen gen en omgeving niet ophoudt na het eerste levensjaar. Slors denkt dat dit misschien weer hetzelfde is als die kwebbeldoos, want veel van wat we doen, doen we onbewust. Maar of we daarmee onszelf veranderen - daar moeten we onderzoek naar doen.

Aangeboren criminaliteit
Een vraag uit de zaal gaat over criminaliteit: als de meeste eigenschappen al vastgelegd worden, is dat dan ook zo met criminele eigenschappen (liefde voor afwijken van de regels), en hoe zit het dan met straffen? Swaab antwoordt dat de maatschappij regels nodig heeft. Slaan, wat apen doen, hebben wij uitbesteed aan justitie. Een reden om mensen te straffen is de hoop om gedrag te veranderen. Maar nu zitten in de gevangenis negentig procent psychiatrische patiënten die je eigenlijk moet behandelen in plaats van straffen. Ook de combinatie TBS en straf vindt Swaab raar, omdat eerst de straf wordt gegeven en dan pas de behandeling, terwijl je als pyschiatrisch patiënt niet (compleet) verantwoordelijk gesteld kan worden voor je daden. Er is volgens hem onderscheid tussen karakter en gedrag. Gedrag kun je veranderen, maar karakter niet. En dat is het probleem met schizofrenie of borderline – dat veranderen is moeilijk.
Uit de zaal komt de opmerking dat psychiatrische ziektebeelden wel erg normatief zijn. Homoseksualiteit was vroeger ook een afwijking. Wat is dan het verschil tussen psychiatrische waanbeelden en religieuze ervaringen? Van Praag reageert hierop - je kunt je inderdaad afvragen of Breivik een waan had, zegt hij. Een wereld die niet zintuiglijk waarneembaar is, zoals bij wanen, wordt pas storend als het problemen kan opleveren voor het individu of de omgeving.
Terug naar een van de kernvragen van het debat: waarom koppelt Swaab hersenonderzoek zo aan kritiek op de maakbaarheidsgedachte, en waarom koppelt Van Praag hersenonderzoek zo aan een pessimistische gedachte? Volgens Swaab had het maakbaarheidsgeloof van de jaren zestig en zeventig voordelen: iedereen kon naar de universiteit als je je best maar deed,  maar als er iets misging was de moeder altijd de schuldige. Autisme, schizofrenie, homoseksualiteit: het kwam allemaal door de moeder. Het belang van de omgeving werd enorm overschat, en hij heeft kritiek op díe maakbaarheid, niet op de maakbaarheid van het oplossen van ziektes door hersenwetenschappen. Van Praag zegt dat hersenwetenschappen inderdaad veelbelovend zijn. Voor hem houdt maakbaarheid in dat de mens er iets van kan maken in zijn leven. Waarbij de omgeving buitengewoon belangrijk is.

Uit vrije wil
Het is al ruim over tienen, en Swaab krijgt nog een laatste vraag van Harbers: hij is actief in een club voor euthanasie, en die club heet... Uit Vrije Wil, terwijl hij zelf zegt dat de vrije wil niet bestaat. Swaabs tegenwoord is dat hij al lid van de club was voordat de naam bestond, en hij in het buitenland was toen de naam werd verzonnen. Om geen spelbreker te willen zijn heeft hij er erbij gelaten. De keuze om je eigen levenseinde door te maken is erg bepaald door de omstandigheden, er zijn weinig vrijheden, maar de mogelijkheden moeten er wel zijn. En zo eindigt het debat waarvan de sprekers het nooit met elkaar eens zullen worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen